Spinoza en de Republiek
Recensies
Spinoza en de Republiek
Het ideaal van de gemengde staatsvorm
Maarten van Buuren
In oktober 2025 verschenen bij uitgeverij Damon twee boeken van Maarten van Buuren:
1. Spinoza en de Republiek
2. Spinoza - Politiek TraktaatHiervan koos ik voor het schrijven van mijn boekrecensies als eerste voor ‘Spinoza en de Republiek’.
Inleiding
In de tweede alinea van de inleiding staat dat Spinoza zich voor het schrijven van zijn Politiek Traktaat had laten inspireren door Machiavelli. Niet door diens boek De Vorst, waarin hij het politieke bedrijf beschrijft vanuit het standpunt van de vorst, maar door het boek Discorsi, waarin hij het standpunt van het volk kiest. In Spinoza’s politieke theorie vindt dezelfde verschuiving plaats. In het TTP kiest hij de kant van de machthebber en in het TP de kant van het volk.
In zijn TP probeert hij antwoord te geven op de vraag naar de beste staatsvorm in de republiek. Hoewel het TP door zijn vroege dood onafgemaakt bleef en we dus nooit te weten zullen komen tot welke conclusies hij uiteindelijk is gekomen, denkt Van Buuren dat we toch aan kunnen geven in welke richting deze zouden zijn gegaan.
Na 1672 veranderde Spinoza’s opvatting over volk en democratie, zoals hij eerder had neergelegd in zijn TTP. Dit deed Van Buuren besluiten om aan zijn vertaling van het TP aanvullingen toe te voegen, waardoor het doel van het TP, namelijk een oplossing aanreiken voor de constitutionele crisis waarin de Republiek zich op dat moment bevond, zich duidelijker aftekende.
Hij belicht in dit boek, Spinoza en de Republiek de achtergronden van Spinoza’s visie op de drie staatsvormen Monarchie, Aristocratie en Democratie, waarbij Van Buuren betoogt dat Spinoza’s voorkeur niet bij de democratie, maar bij de gemengde regeringsvorm met als zwaartepunt de aristocratie ligt.
In zijn TP probeert hij antwoord te geven op de vraag naar de beste staatsvorm in de republiek. Hoewel het TP door zijn vroege dood onafgemaakt bleef en we dus nooit te weten zullen komen tot welke conclusies hij uiteindelijk is gekomen, denkt Van Buuren dat we toch aan kunnen geven in welke richting deze zouden zijn gegaan.
Na 1672 veranderde Spinoza’s opvatting over volk en democratie, zoals hij eerder had neergelegd in zijn TTP. Dit deed Van Buuren besluiten om aan zijn vertaling van het TP aanvullingen toe te voegen, waardoor het doel van het TP, namelijk een oplossing aanreiken voor de constitutionele crisis waarin de Republiek zich op dat moment bevond, zich duidelijker aftekende.
Hij belicht in dit boek, Spinoza en de Republiek de achtergronden van Spinoza’s visie op de drie staatsvormen Monarchie, Aristocratie en Democratie, waarbij Van Buuren betoogt dat Spinoza’s voorkeur niet bij de democratie, maar bij de gemengde regeringsvorm met als zwaartepunt de aristocratie ligt.
Hoofdstuk I
Oorsprong, wezen en doel van de staat.
In dit hoofdstuk behandelt Van Buuren de begrippen natuurstaat en staatkundige orde.
In een natuurstaat behoort alles aan iedereen en is alles gericht op het eigen belang.
Dit brengt wel gevaren met zich mee. Iedereen moet slapen ,wordt ziek en oud en dan is het wel zo prettig als je op de hulp van anderen kunt rekenen.
In een staatkundige orde streeft men dan ook naar een goede en veilige samenleving. Daarvoor is het noodzakelijk om regels samen te stellen waarin zorg voor elkaar centraal staat. Ogenschijnlijk lijkt het dat men door die regels minder vrijheden heeft, maar omdat men nu niet bang meer hoeft te zijn dat men bestolen of vermoord wordt of dat men onverzorgd achter blijft is die vrijheid juist groter. Volgens Spinoza kunnen in een samenleving natuurrecht en staatsrecht naast elkaar bestaan en elkaar daarbij aanvullen. Belangrijk hierbij is het toepassen van de rede. Rede in de zin van het verstand stelt de mens in staat het doel van vrijheid en gelukzaligheid te bereiken.
In een natuurstaat behoort alles aan iedereen en is alles gericht op het eigen belang.
Dit brengt wel gevaren met zich mee. Iedereen moet slapen ,wordt ziek en oud en dan is het wel zo prettig als je op de hulp van anderen kunt rekenen.
In een staatkundige orde streeft men dan ook naar een goede en veilige samenleving. Daarvoor is het noodzakelijk om regels samen te stellen waarin zorg voor elkaar centraal staat. Ogenschijnlijk lijkt het dat men door die regels minder vrijheden heeft, maar omdat men nu niet bang meer hoeft te zijn dat men bestolen of vermoord wordt of dat men onverzorgd achter blijft is die vrijheid juist groter. Volgens Spinoza kunnen in een samenleving natuurrecht en staatsrecht naast elkaar bestaan en elkaar daarbij aanvullen. Belangrijk hierbij is het toepassen van de rede. Rede in de zin van het verstand stelt de mens in staat het doel van vrijheid en gelukzaligheid te bereiken.

Thomas Hobbes (1588-1679)
Thomas Hobbes
Thomas Hobbes is het daarmee niet eens. Hij verklaarde dat het natuurrecht ophoudt te bestaan als de politiek gemeenschap in werking treedt. Volgens hem is er een onoverbrugbare tegenstelling tussen natuurrecht en natuurwet en is het sociaal contract een onderwerping aan een tiran.Spinoza verzet zich tegen de ideeën van Hobbes. Voor hem zijn natuurwetten natuurkundige wetten en het natuurrecht van elk individu is het onbelemmerd uitoefenen van de conatus. De natuurlijke rechten van de mens onderscheiden zich namelijk niet van die van andere natuurlijke organismen. Allen hebben recht om hun eigen natuur te verwezenlijken. Maar om dit in een staatkundige orde te bereiken heb je regels nodig.

Hugo de Groot (1583-1645)
Hugo de Groot
Hugo de Groot baseerde zijn definitie van het natuurrecht op twee principes. (blz 34).
Het eerste natuurrechtelijke principe is dat van de conatus en behelst het natuurrecht in de zin van Spinoza.
Het tweede principe betreft de leefregels die voortvloeien uit de rede. Hierbij identificeert hij redelijkheid met sociabiliteit. Hij benadrukt met andere woorden dat het natuurrecht in de zin van conatus blijft voortbestaan in de samenleving, iets wat we dus bij Spinoza ook terugvinden.
Het verschil tussen De Groot en Hobbes is dat voor De Groot i.t.t. Hobbes natuurrecht en natuurwet hetzelfde zijn.
Hugo de Groot baseerde zijn definitie van het natuurrecht op twee principes. (blz 34).
Het eerste natuurrechtelijke principe is dat van de conatus en behelst het natuurrecht in de zin van Spinoza.
Het tweede principe betreft de leefregels die voortvloeien uit de rede. Hierbij identificeert hij redelijkheid met sociabiliteit. Hij benadrukt met andere woorden dat het natuurrecht in de zin van conatus blijft voortbestaan in de samenleving, iets wat we dus bij Spinoza ook terugvinden.
Het verschil tussen De Groot en Hobbes is dat voor De Groot i.t.t. Hobbes natuurrecht en natuurwet hetzelfde zijn.
Spinoza
Spinoza sluit zich hierbij aan. Ook voor hem zijn natuurrecht en natuurwet hetzelfde. De natuurrecht vormt de grondslag van het samenlevingsrecht.
Hoofdstuk II
In het voetspoor van Calvijn

Calvijn (1509-1564)
Calvijns politieke theorie stelt dat men zich aan het legitieme gezag moet onderwerpen, maar dat opstand tegen een tiran die Gods eer niet dient, gerechtvaardigd kan zijn. Hij pleitte voor een scheiding tussen kerk en staat, hoewel hij in de praktijk in Genève een religieus en autocratisch bestuur invoerde. Zijn theorieën droegen bij aan het Nederlandse verzet tegen de Spaanse overheersing.
De staatsvorm van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was vanaf het eind van de 16e eeuw onevenwichtig. In 1581 weigerde een aantal Nederlandse Gewesten via de Acte van Verlatinghe Filips II niet langer als koning te erkennen en werd De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het leven geroepen. Hoewel ze zich tot republiek hadden verklaard, verwierpen de Nederlandse Provincies niet het koninklijk gezag als zodanig, maar hielden vast aan de illusie dat ze eigenlijk een monarchie waren. De basis vormde de Calvijnse leer die enerzijds volstrekte gehoorzaamheid gebood aan het gezag, maar anderzijds verklaarde dat de vorsten hun soevereiniteit verspeelden als ze handelden tegen Gods geboden.
De staatsvorm van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was vanaf het eind van de 16e eeuw onevenwichtig. In 1581 weigerde een aantal Nederlandse Gewesten via de Acte van Verlatinghe Filips II niet langer als koning te erkennen en werd De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het leven geroepen. Hoewel ze zich tot republiek hadden verklaard, verwierpen de Nederlandse Provincies niet het koninklijk gezag als zodanig, maar hielden vast aan de illusie dat ze eigenlijk een monarchie waren. De basis vormde de Calvijnse leer die enerzijds volstrekte gehoorzaamheid gebood aan het gezag, maar anderzijds verklaarde dat de vorsten hun soevereiniteit verspeelden als ze handelden tegen Gods geboden.

Vindiciae contra tyrannos (1579)
toegeschreven aan de Franse Hugenoten
Philippe du Plessis-Mornay (1549-1623) en Hubert Languet (1518-1581)
toegeschreven aan de Franse Hugenoten
Philippe du Plessis-Mornay (1549-1623) en Hubert Languet (1518-1581)
De Franse protestanten hadden na de Bartholomeusnacht in Parijs een pamflet, of liever gezegd een 200 bladzijden tellend boek samengesteld onder de naam Vindiciae contra tyrannos, dat berustte op vier grondslagen van het politieke denken:
1. Verbond tussen vorst en volk.
De koning belooft het algemeen belang te dienen en het volk belooft de vorst te
gehoorzamen.
2. Volkssoevereiniteit.
Het volk is soeverein en geeft een deel van zijn macht aan de koning. Als die zijn taak niet
naar behoren vervult, komt die macht automatisch weer terug bij het volk.
Onder volk wordt hierbij niet de totale bevolking verstaan, maar de
volksvertegenwoordigers.
3. Volksvertegenwoordigers.
Dit zijn de vertegenwoordigers van de Provinciale Staten, die de koning op zijn
verplichtingen wijst. Zij bestaan uit de adel en de aristocraten, die door hun menselijke en
sociale contacten hiervoor het meest geschikt zijn.
4. Degradatie van de koning tot staatsambtenaar, waarbij erfopvolging uitgesloten is.
1. Verbond tussen vorst en volk.
De koning belooft het algemeen belang te dienen en het volk belooft de vorst te
gehoorzamen.
2. Volkssoevereiniteit.
Het volk is soeverein en geeft een deel van zijn macht aan de koning. Als die zijn taak niet
naar behoren vervult, komt die macht automatisch weer terug bij het volk.
Onder volk wordt hierbij niet de totale bevolking verstaan, maar de
volksvertegenwoordigers.
3. Volksvertegenwoordigers.
Dit zijn de vertegenwoordigers van de Provinciale Staten, die de koning op zijn
verplichtingen wijst. Zij bestaan uit de adel en de aristocraten, die door hun menselijke en
sociale contacten hiervoor het meest geschikt zijn.
4. Degradatie van de koning tot staatsambtenaar, waarbij erfopvolging uitgesloten is.

Althusius (1563-1638)
De politieke theorie van Calvijn is geïnspireerd op de Politica methodice digesta van Johannes Althusius.
Van Buuren geeft eerst een kort verslag over het leven van Athusius en dat dit boek de aanleiding was tot zijn benoeming van Syndicus van Emden, de stad die de alma mater van de Nederlandse gereformeerde kerk wordt genoemd. Dit boek was in drie opzichten grensverleggend.
1. Symbiotisch lichaam.
Het doel van de politiek is een sociaal leven te stichten. Een voorbeeld hiervan zijn de
gilden, die in een aantal plaatsen van ons land nog steeds bestaan, al hebben ze niet meer de
functie van destijds.
2. Volksvertegenwoordiging en tiran.
Volksvertegenwoordiging hebben het recht en de plicht zich te verzetten tegen tirannie.
Spinoza hechtte daar groot belang aan en gaat hier in zijn Politiek Traktaat ook uitgebreid
op in.
3. Constitutie.
De macht van de vorst wordt ingeperkt door de staatswetten. Hij kan die zelf niet inperken
of overtreden en staat onder de wet.
Voor Althusius is hiermee de ideale staat een mengvorm van monarchie, democratie en aristocratie .
Van Buuren geeft eerst een kort verslag over het leven van Athusius en dat dit boek de aanleiding was tot zijn benoeming van Syndicus van Emden, de stad die de alma mater van de Nederlandse gereformeerde kerk wordt genoemd. Dit boek was in drie opzichten grensverleggend.
1. Symbiotisch lichaam.
Het doel van de politiek is een sociaal leven te stichten. Een voorbeeld hiervan zijn de
gilden, die in een aantal plaatsen van ons land nog steeds bestaan, al hebben ze niet meer de
functie van destijds.
2. Volksvertegenwoordiging en tiran.
Volksvertegenwoordiging hebben het recht en de plicht zich te verzetten tegen tirannie.
Spinoza hechtte daar groot belang aan en gaat hier in zijn Politiek Traktaat ook uitgebreid
op in.
3. Constitutie.
De macht van de vorst wordt ingeperkt door de staatswetten. Hij kan die zelf niet inperken
of overtreden en staat onder de wet.
Voor Althusius is hiermee de ideale staat een mengvorm van monarchie, democratie en aristocratie .
Hoofdstuk III
Bestuurlijke chaos in de Republiek
Bestuurlijke chaos in de Republiek

Johan van Oldenbarneveldt (1547-1619) en Maurits (1567-1625)
Door het ontbreken van een duidelijke constitutie bleef het onduidelijk welke staatsvorm De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden moest aannemen. Interne machtsverschuivingen leidden er tijdens de 17e eeuw toe dat de staat onder van Oldenbarneveldt en Johan de Witt de vorm van een aristocratie/democratie aannam en onder de stadhouders Maurits, Frederik Hendrik en Willem II en III de vorm van een monarchie.
De verdeeldheid bleek ook uit de vijf afzonderlijke vloten die er waren en dat elke provincie zijn eigen leger en munteenheid had. Het ontbrak aan centrale leiding, waardoor de republiek voortdurend uit balans was. Van Oldenbarneveldt signaleerde dit probleem. Hij schrijft in 1607 in een memorie: ‘Als we geen regering vormen met voldoende gezag om de gewesten te regeren en de provincies en de steden aan hun financiële verplichtingen te houden en niet eendrachtig samenwerken, gaan we ten gronde. Want geen enkele republiek kan bestaan zonder een goed functionerende centrale regering’.
De door van Oldenbarneveldt opgerichte VOC werd volledig bemand door regenten en Prins Maurits was de opperbevelhebber van het leger. Aanvankelijk ging dat goed tot van Oldenbarneveldt en de Staten-Generaal besloten het leger en de vloot opdracht te geven de kapers bij Duinkerken uit te schakelen. Maurits was daar tegen omdat hij voorzag dat ze daar verslagen zouden worden en de Republiek dan weerloos achter bleef. Hij kreeg daarin gelijk en alleen door zijn heldhaftig optreden tijdens de Slag bij Nieuwpoort kon hij de Republiek redden, waarna hij in 1618 een staatsgreep deed en van Oldenbarneveldt ter dood veroordeelde.
De verdeeldheid bleek ook uit de vijf afzonderlijke vloten die er waren en dat elke provincie zijn eigen leger en munteenheid had. Het ontbrak aan centrale leiding, waardoor de republiek voortdurend uit balans was. Van Oldenbarneveldt signaleerde dit probleem. Hij schrijft in 1607 in een memorie: ‘Als we geen regering vormen met voldoende gezag om de gewesten te regeren en de provincies en de steden aan hun financiële verplichtingen te houden en niet eendrachtig samenwerken, gaan we ten gronde. Want geen enkele republiek kan bestaan zonder een goed functionerende centrale regering’.
De door van Oldenbarneveldt opgerichte VOC werd volledig bemand door regenten en Prins Maurits was de opperbevelhebber van het leger. Aanvankelijk ging dat goed tot van Oldenbarneveldt en de Staten-Generaal besloten het leger en de vloot opdracht te geven de kapers bij Duinkerken uit te schakelen. Maurits was daar tegen omdat hij voorzag dat ze daar verslagen zouden worden en de Republiek dan weerloos achter bleef. Hij kreeg daarin gelijk en alleen door zijn heldhaftig optreden tijdens de Slag bij Nieuwpoort kon hij de Republiek redden, waarna hij in 1618 een staatsgreep deed en van Oldenbarneveldt ter dood veroordeelde.

Maurits (1567-1625) en Frederik Hendrik (1584-1647)
Hierna trok Maurits de macht naar zich toe waarbij het machtsevenwicht werd verlegd van de Staten van Holland naar de Staten-Generaal o.l.v. de stadhouder.
Na zijn dood werd Maurits opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik die zich buiten medewerking van de Provinciale Staten tot opperbevelhebber van het leger liet benoemen. Hij zorgde dat al zijn ambten na zijn dood werden overgedragen aan Willem II.
Na 1633 volgde echter een kentering. Corruptie vierde hoogtij met als eclatant voorbeeld Cornelis Musch. (Zie mijn recensie van het boek Musch van Jean-Marc van Tol https://www.spinozakringsoest.nl/files/Jean-Marc-van-Tol_Musch.pdf).
Aangezien bij de dood van Willem II zijn zoon Willem III nog niet geboren was, verhinderde dit dat de republiek definitief in een monarchie veranderde. Het eerste stadhouderloze tijdperk brak aan en Johan de Witt werd benoemd tot raadspensionaris.
Na zijn dood werd Maurits opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik die zich buiten medewerking van de Provinciale Staten tot opperbevelhebber van het leger liet benoemen. Hij zorgde dat al zijn ambten na zijn dood werden overgedragen aan Willem II.
Na 1633 volgde echter een kentering. Corruptie vierde hoogtij met als eclatant voorbeeld Cornelis Musch. (Zie mijn recensie van het boek Musch van Jean-Marc van Tol https://www.spinozakringsoest.nl/files/Jean-Marc-van-Tol_Musch.pdf).
Aangezien bij de dood van Willem II zijn zoon Willem III nog niet geboren was, verhinderde dit dat de republiek definitief in een monarchie veranderde. Het eerste stadhouderloze tijdperk brak aan en Johan de Witt werd benoemd tot raadspensionaris.

Johan de Witt (1625-1672)
Johan de Witt
Door zijn streven het zwaartepunt van het gezag te verleggen naar de Provinciale Staten en de stadsbesturen werd het democratische karakter van de Republiek versterkt en belichaamde hij het ideaal van De Ware Vrijheid. Hij was een meester in het verzoenen van tegengestelde belangen en het sluiten van verdragen en onder hem floreerde de handel, maar onderschatte het verraad en de agressie wat uiteindelijk tot de gruwelijke dood van hem en zijn broer Cornelis leidde.

Willem III (1650-1702)
Willem III
Er volgde daarop een omslag naar het monarchisme waar de inmiddels volwassen geworden Willem III handig gebruik van maakte en voor een kaalslag onder de regenten zorgde, waaronder ook Lambert van Veldhuijsen, een vriend van Spinoza het slachtoffer werd. De
beoogde alleenheerschappij van Willem schoot bij de Amsterdamse kooplieden echter verkeerd. Zij zagen hoeveel schade de Republiek als handelsnatie ondervond en het volk begon het verlies en de dood van De Witt te betreuren. Deze pendelbeweging tussen monarchisme en republikanisme was de aanleiding voor Spinoza’s Politiek Traktaat met als doel een staatsvorm te definiëren, die verhinderde dat de staat enerzijds tot tirannie en anderzijds tot anarchie zou vervallen. Hij verwijst daarbij naar Machiavelli, wiens politiek beschouwingen hij prijst. Evenwicht is het belangrijkste kenmerk van een ideale staat en hoewel hij zijn voorkeur uitspreekt voor een aristocratie, kiest hij in wezen voor een mengvorm van aristocratie met monarchie en democratie, omdat alleen de ‘gemengde regeringsvorm’ tot het gewenste evenwicht kan leiden.
beoogde alleenheerschappij van Willem schoot bij de Amsterdamse kooplieden echter verkeerd. Zij zagen hoeveel schade de Republiek als handelsnatie ondervond en het volk begon het verlies en de dood van De Witt te betreuren. Deze pendelbeweging tussen monarchisme en republikanisme was de aanleiding voor Spinoza’s Politiek Traktaat met als doel een staatsvorm te definiëren, die verhinderde dat de staat enerzijds tot tirannie en anderzijds tot anarchie zou vervallen. Hij verwijst daarbij naar Machiavelli, wiens politiek beschouwingen hij prijst. Evenwicht is het belangrijkste kenmerk van een ideale staat en hoewel hij zijn voorkeur uitspreekt voor een aristocratie, kiest hij in wezen voor een mengvorm van aristocratie met monarchie en democratie, omdat alleen de ‘gemengde regeringsvorm’ tot het gewenste evenwicht kan leiden.
Hoofdstuk IV.
Staatsvorm van de Republiek
En zo komen we op de gemengde staatsvorm van de republiek.

Polybius (203 v.C. – ca. 120 v.C.) en Machiavelli (1469-1527)
Het begrip ‘gemengde staat’ is afkomstig van Polybius (200 – 118 v.Chr.)
Hij definieert de gemengde staatsvorm als een systeem van checks and balances, waarin elk van de die elementen een gelijk aandeel heeft in de politieke macht. In een gemengde staatsvorm zijn de politieke machten zo met elkaar verweven dat geen van de drie zich kan ontplooien zonder in toom te worden gehouden door de beide anderen. Hij meent dat de gemengde staatsvorm drie fundamentele voordelen heeft boven alle andere politieke systemen: hij is stabieler, maakt een staat sterker en garandeert de vrijheid van de burgers.
Machiavelli vestigde in zijn Discorsi, Commentaren op de eerste tien boeken van Livius de aandacht op Polybius zijn analyse dat deze staatsvorm. Hij beschrijft daarbij dat de verhouding tussen deze drie zich als een cyclus beweegt van monarchie naar aristocratie en vervolgens naar democratie en dan weer terug richting monarchie.
Net als Spinoza meent hij dat erfopvolging de belangrijkste oorzaak is dat goede staatsvormen ontaarden in negatieve verschijningsvormen en dat goed en kwaad niet van nature zijn gegeven maar het gevolg zijn van de instelling van een politieke gemeenschap. Hij noemt Sparta het schoolvoorbeeld van een gemengde staatsvorm, die meer dan 800 jaar in stand bleef en een vredig klimaat garandeerde. Stabiliteit, duurzaamheid en vrede zijn de belangrijkste kenmerken van een gemengde staatsvorm en voorwaarden voor een bloeiende handel.
In tegenstelling tot Polybius en Machiavelli meent Spinoza dat de politieke gemeenschap ooit begonnen is als een democratie, van waaruit de aristocratie zich ontwikkelde tot uiteindelijk de monarchie, die ronduit de slechtste staatvorm is. Die mondde uiteindelijk ook uit in de catastrofe van 1672. In zijn Politiek Traktaat doet hij dan ook voorstellen om het machtsconflict tussen vorst en volk te beteugelen.
Hij definieert de gemengde staatsvorm als een systeem van checks and balances, waarin elk van de die elementen een gelijk aandeel heeft in de politieke macht. In een gemengde staatsvorm zijn de politieke machten zo met elkaar verweven dat geen van de drie zich kan ontplooien zonder in toom te worden gehouden door de beide anderen. Hij meent dat de gemengde staatsvorm drie fundamentele voordelen heeft boven alle andere politieke systemen: hij is stabieler, maakt een staat sterker en garandeert de vrijheid van de burgers.
Machiavelli vestigde in zijn Discorsi, Commentaren op de eerste tien boeken van Livius de aandacht op Polybius zijn analyse dat deze staatsvorm. Hij beschrijft daarbij dat de verhouding tussen deze drie zich als een cyclus beweegt van monarchie naar aristocratie en vervolgens naar democratie en dan weer terug richting monarchie.
Net als Spinoza meent hij dat erfopvolging de belangrijkste oorzaak is dat goede staatsvormen ontaarden in negatieve verschijningsvormen en dat goed en kwaad niet van nature zijn gegeven maar het gevolg zijn van de instelling van een politieke gemeenschap. Hij noemt Sparta het schoolvoorbeeld van een gemengde staatsvorm, die meer dan 800 jaar in stand bleef en een vredig klimaat garandeerde. Stabiliteit, duurzaamheid en vrede zijn de belangrijkste kenmerken van een gemengde staatsvorm en voorwaarden voor een bloeiende handel.
In tegenstelling tot Polybius en Machiavelli meent Spinoza dat de politieke gemeenschap ooit begonnen is als een democratie, van waaruit de aristocratie zich ontwikkelde tot uiteindelijk de monarchie, die ronduit de slechtste staatvorm is. Die mondde uiteindelijk ook uit in de catastrofe van 1672. In zijn Politiek Traktaat doet hij dan ook voorstellen om het machtsconflict tussen vorst en volk te beteugelen.

Pieter de la Court (1618-1685) en zijn werk "de Politike Weeg-schaal (1661)"
De gebroeders De la Court
Het werk van Pieter en Johan de la Court is van eminent belang voor een goed begrip van Spinoza’s TP. Talrijke passages hierin kunnen worden herleid tot vrijwel gelijkluidende passages in het werk van hen. Spinoza ontleende voor zijn politieke filosofie dan ook meer gedachten aan hen dan aan mening ander auteur.
De gebroeders De la Court waren belangrijke 17e-eeuwse Nederlandse denkers die bekend stonden om hun radicale politieke en economische ideeën. Hoewel ze economische en politieke geschriften publiceerden, werd Pieter de la Court met name gezien als een fel anti-Orangistisch en controversieel figuur. Hun werk, waaronder Interest van Holland, ofte gronden van Hollands-Welvaren, pleitte voor handelsvrijheid, grotere tolerantie en meer democratie. In 1661 verscheen van Pieter De Politike Weeg-schaal waarin volgens hem de aristocratie de beste staatsvorm is, de democratie voor- en nadelen heeft en de monarchie ronduit de slechtste is. Hij suggereert tevens dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wankelt op het randje van de monarchie en noemt de erfstadhouder een des te gevaarlijker bedreiging voor de Republiek, omdat deze zijn monarchale ambities verbergt achter een mom van republikeinse dienstbaarheid.
In deel I van de Politieke Weegschaal behandelt De la Court in 35 hoofdstukken de nadelen van de monarchie. Spinoza ontleent veel aan deze opsomming, maar voegt aan zijn eigen analyse die, indien op de juiste manier toegepast, de monarchie tot een goede regeringsvorm zou maken. De la Court besteedt in deel II over de aristocratie meer dan 70 bladzijden aan de beschrijving van de Venetiaanse staatsinrichting die voldoet aan de gemengde staatsvorm van Polybius en De Groot. Ook Spinoza verwijst daar in zijn TP regelmatig naar.
Deel III is gewijd aan de democratie. Hier doemen een vijftal problemen op, die ook in Spinoza’s TP een belangrijke rol spelen.
De gebroeders De la Court waren belangrijke 17e-eeuwse Nederlandse denkers die bekend stonden om hun radicale politieke en economische ideeën. Hoewel ze economische en politieke geschriften publiceerden, werd Pieter de la Court met name gezien als een fel anti-Orangistisch en controversieel figuur. Hun werk, waaronder Interest van Holland, ofte gronden van Hollands-Welvaren, pleitte voor handelsvrijheid, grotere tolerantie en meer democratie. In 1661 verscheen van Pieter De Politike Weeg-schaal waarin volgens hem de aristocratie de beste staatsvorm is, de democratie voor- en nadelen heeft en de monarchie ronduit de slechtste is. Hij suggereert tevens dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wankelt op het randje van de monarchie en noemt de erfstadhouder een des te gevaarlijker bedreiging voor de Republiek, omdat deze zijn monarchale ambities verbergt achter een mom van republikeinse dienstbaarheid.
In deel I van de Politieke Weegschaal behandelt De la Court in 35 hoofdstukken de nadelen van de monarchie. Spinoza ontleent veel aan deze opsomming, maar voegt aan zijn eigen analyse die, indien op de juiste manier toegepast, de monarchie tot een goede regeringsvorm zou maken. De la Court besteedt in deel II over de aristocratie meer dan 70 bladzijden aan de beschrijving van de Venetiaanse staatsinrichting die voldoet aan de gemengde staatsvorm van Polybius en De Groot. Ook Spinoza verwijst daar in zijn TP regelmatig naar.
Deel III is gewijd aan de democratie. Hier doemen een vijftal problemen op, die ook in Spinoza’s TP een belangrijke rol spelen.
1. Wie is het volk?
Niet het gepeupel oftewel de massa, maar de Raad van Volksvertegenwoordigers.
Niet het gepeupel oftewel de massa, maar de Raad van Volksvertegenwoordigers.
2. De Volksvertegenwoordigers.
Deze worden gekozen door stemhebbende burgers. Daarvan zijn uitgesloten de vrouwen, de onmondigen het personeel en de vreemdelingen, die niet lang genoeg in de Republiek wonen en niet de gewoonten van het land eigen hebben gemaakt
Deze worden gekozen door stemhebbende burgers. Daarvan zijn uitgesloten de vrouwen, de onmondigen het personeel en de vreemdelingen, die niet lang genoeg in de Republiek wonen en niet de gewoonten van het land eigen hebben gemaakt
3. Er wordt slechts gekozen uit ’het eigen midden’ de patriciërs.
4. Dat ‘eigen midden’ is bij De la Court zeer klein i.t.t. Spinoza, die vindt dat het aantal patriciërs in verhouding moet staan tot de omvang van de bevolking.
5. Democratieën zijn moeilijk te onderscheiden van aristocratieën en monarchieën, waardoor hij ondanks zijn felle tegenstand tegen een gemengde staatsvorm deze juist hiermee onderstreept.
Volgens Van Buuren gaat ook Spinoza’s voorkeur uit naar de gemengde staatvorm, omdat die volgens hem de grondslag vormt van de redenering die zichtbaar wordt achter de beschouwing van de drie staatsvormen die in het TP worden behandeld.
Hoofdstuk V.
Het ideaal van de gemengde staatsvorm
Spinoza behandelt in zijn Politiek Traktaat dus de drie klassieke staatsvormen, monarchie, aristocratie en democratie. Hij gaat er net als Polybius vanuit dat staatsvormen op een natuurlijke manier uit elkaar voortvloeien. De cyclus van staatsvormen heeft bij hem het karakter van een voortschrijdend proces van ontaarding waarbij de democratie, opgevat als oorspronkelijke en ongerepte staatsvorm verwordt tot aristocratie en deze op haar beurt tot monarchie, de slechtste van de drie. Hij behandelt elk van de drie staatsvormen volgens de methode die tegelijkertijd theoretisch als praktisch van aard is.
1. Monarchie

Antonio Perez (1540-1611)
Antonio Perez
In zijn TP geeft hij evenveel aandacht aan Machiavelli als aan Antonio Perez, de enige van wie hij werk citeert.
‘Want zoals Antonio Perez zeer treffend opmerkt: ‘het uitoefenen van de absolute heerschappij is zeer gevaarlijk voor een vorst, bij de onderdanen zeer gehaat en strijdig met zowel de goddelijke al menselijke instellingen, zoals blijkt uit talloze voorbeelden’.
Perez was een invloedrijke raadgever van Filips II maar werd door Alva ten val gebracht, die hem van moord beschuldigde op Juan de Escovedo, wat hij in opdracht van Filips II zou hebben gedaan. Als gevolg hiervan werd Perez een fel tegenstander van de absolute monarchie, een van de redenen waarom Spinoza hem opmerkt en citeert. Spinoza wijst via dit voorbeeld op de dreiging van de absolute monarchie van de kant van de stadhouders Willem II en III in Nederland.
‘De ervaring lijkt te leren dat in het belang van vrede en eendracht alle macht wordt overgedragen aan één man [….] maar alle macht overdragen aan één man staat gelijk aan slavernij, niet aan vrijheid’.
2. Aristocratie.
Hiervoor gebruikt hij als model de Romeinse staatsinrichting.
De enig werkzame vorm is hier een omvangrijke Raad van Aristocraten, die hij patriciërs noemt, met een consul en een senaat voor de controle, Het volk zelf is uitgesloten, maar wordt vertegenwoordigd door de patriciërs. Maar de staatkundige onevenwichtigheid van de Nederlanden werd hierin vergroot door de ongelijkheid tussen het rijke machtige Holland tegenover de zes overige provincies.
‘Want zoals Antonio Perez zeer treffend opmerkt: ‘het uitoefenen van de absolute heerschappij is zeer gevaarlijk voor een vorst, bij de onderdanen zeer gehaat en strijdig met zowel de goddelijke al menselijke instellingen, zoals blijkt uit talloze voorbeelden’.
Perez was een invloedrijke raadgever van Filips II maar werd door Alva ten val gebracht, die hem van moord beschuldigde op Juan de Escovedo, wat hij in opdracht van Filips II zou hebben gedaan. Als gevolg hiervan werd Perez een fel tegenstander van de absolute monarchie, een van de redenen waarom Spinoza hem opmerkt en citeert. Spinoza wijst via dit voorbeeld op de dreiging van de absolute monarchie van de kant van de stadhouders Willem II en III in Nederland.
‘De ervaring lijkt te leren dat in het belang van vrede en eendracht alle macht wordt overgedragen aan één man [….] maar alle macht overdragen aan één man staat gelijk aan slavernij, niet aan vrijheid’.
2. Aristocratie.
Hiervoor gebruikt hij als model de Romeinse staatsinrichting.
De enig werkzame vorm is hier een omvangrijke Raad van Aristocraten, die hij patriciërs noemt, met een consul en een senaat voor de controle, Het volk zelf is uitgesloten, maar wordt vertegenwoordigd door de patriciërs. Maar de staatkundige onevenwichtigheid van de Nederlanden werd hierin vergroot door de ongelijkheid tussen het rijke machtige Holland tegenover de zes overige provincies.
3. Democratie.
Dit is een regering van allen door allen.
‘Voor gehoorzaamheid is geen plaats in een gemeenschap waarin de macht bij allen berust en de wetten door algemene instemming van kracht worden’.
Spinoza prefereert de democratie, omdat die de natuurstaat het dichtst benadert. Het is in zekere zin een ideale staat, omdat ieder er van eigen recht is, wat volgend hem het hoogste goed is waarnaar een mens kan streven. Dat is een vreemde redenering, want volgens deze definitie zou democratie een staatsvorm zijn waarin alle burgers zo min mogelijk afstand doen van hun oorspronkelijke natuurlijke vrijheid. De vrijheid van een natuurstaat is feitelijk de hoogste onvrijheid en vormt het tegendeel van de echte vrijheid die in de samenleving ontstaat dor onderwerping aan de wet, dat wil zeggen doordat burgers afstand doen van de vrijheid die ze in de natuurlijke staat bezaten.
Hij geeft dan ook twee onderling tegenstrijdige definities van democratie. In zijn TTP definieert hij het als volkssoevereiniteit en in het TP als staatsvorm.
Dit is een regering van allen door allen.
‘Voor gehoorzaamheid is geen plaats in een gemeenschap waarin de macht bij allen berust en de wetten door algemene instemming van kracht worden’.
Spinoza prefereert de democratie, omdat die de natuurstaat het dichtst benadert. Het is in zekere zin een ideale staat, omdat ieder er van eigen recht is, wat volgend hem het hoogste goed is waarnaar een mens kan streven. Dat is een vreemde redenering, want volgens deze definitie zou democratie een staatsvorm zijn waarin alle burgers zo min mogelijk afstand doen van hun oorspronkelijke natuurlijke vrijheid. De vrijheid van een natuurstaat is feitelijk de hoogste onvrijheid en vormt het tegendeel van de echte vrijheid die in de samenleving ontstaat dor onderwerping aan de wet, dat wil zeggen doordat burgers afstand doen van de vrijheid die ze in de natuurlijke staat bezaten.
Hij geeft dan ook twee onderling tegenstrijdige definities van democratie. In zijn TTP definieert hij het als volkssoevereiniteit en in het TP als staatsvorm.
4. De absolute staat.
Spinoza bedoelt met ‘absolute staat’ een staatsvorm die een zo groot mogelijke mate van vrijheid garandeert aan allen. Dat wil zeggen dat de burgers:
a. zoveel mogelijk zelfgerechtigd zijn,
b. zoveel mogelijk vrijheid genieten onder de wet, d.w.z. gevrijwaard zijn van de angst om benadeeld te worden door anderen.
a. zoveel mogelijk zelfgerechtigd zijn,
b. zoveel mogelijk vrijheid genieten onder de wet, d.w.z. gevrijwaard zijn van de angst om benadeeld te worden door anderen.
Conclusie.
Van Buuren zijn conclusie is dan ook dat als we de drie staatsvormen door de ogen van Spinoza bekijken, we zien dat:
1. hij een zuivere democratie afkeurt, omdat een volksregering niet duurzaam is,
2. hij een zuivere monarchie afkeurt, omdat die wisselvallig is en makkelijk tot tirannie kan vervallen,
3. dat zijn voorkeur naar een gemengde staatsvorm uitgaat, omdat elk van de drie staatsvormen de absolute staat benadert, die bestaat uit een monarchaal, aristocratisch en democratisch element, waarbij de drie elementen in evenwicht worden gehouden door een systeem van checks and balances en wel zodanig dat de gevaarlijke extremen van tirannie en anarchie worden bedwongen door een aristocratie die tussen beiden bemiddelt en door haar bemiddelende functie het evenwicht garandeert.
© Gonny Pasman – Sakkers
Spinozakring Soest
November 2025
Spinozakring Soest
November 2025
De recensie is hier in pdf te bekijken en te downloaden.
17 nov 2025