Geen land van grote woorden
Recensies
GEEN LAND VAN GROTE WOORDEN
10 eeuwen filosofie in Nederland
Ronald van Raak
De geschiedenis van de filosofie in Nederland is een afspiegeling van de ontwikkeling van ons land, dat altijd een knooppunt van wijsgerige ontwikkelingen in Europa is geweest. We drukten met o.a. het spinozisme een stempel op het denken van andere landen. Maar het is ook een historie van migranten zoals bijvoorbeeld Newton, Descartes en Spinoza. Een typisch Nederlandse filosofie bestaat dan ook niet, mede omdat Nederland onder de naam De Lage Landen uit een bonte verzameling gebieden bestond. Daar kwam bij het ontstaan van de Republiek in de 16e eeuw pas enige eenheid in en het huidige Nederland ontstond pas in 1815.
Deze kennismaking van de filosofie in Nederland begint in de 10e eeuw, waarin de mensen een heel andere denkwereld hadden dan nu.
Deze kennismaking van de filosofie in Nederland begint in de 10e eeuw, waarin de mensen een heel andere denkwereld hadden dan nu.
1. Filosoferen in Parijs.
Kennis is iets waar door de eeuwen heen zowel in de politiek als in de religie strijd om wordt gevoerd.
Rond het jaar 1000 kwamen er kloosterscholen waar men werd onderwezen in theologie en filosofie, met name in de leer van Augustinus, Boëthius en Plato. Door de voertaal Latijn ontstonden daardoor contacten met geleerden in heel Europa.
Almaric van Bena (overleden ca. 1207) gaf aan de universiteit in Parijs les in de filosofie van Aristoteles en ontwikkelde het pantheïsme, het idee dat God niet buiten de schepping stond maar er een onderdeel van was, waardoor de morele regels van de kerk niet meer zouden gelden. (Dit zien we later terug bij Spinoza, niet transcedent, maar immanent). Zijn leer werd rond 1210 verboden.
In De Goddelijke Komedie eert Dante de denker Siger van Brabant (ca.1240 – ca. 1281), onbekend voor de mensen van nu, maar belangrijk geweest voor de filosofie in zowel de Lage Landen als heel Europa. Op de universiteit in Parijs eiste hij het recht op om te onderwijzen in Aristoteles, waar veel boeken van beschikbaar waren. In Parijs was filosofie de voorbereiding op de studies medicijnen, rechten en theologie en dankzij de vasthoudendheid van Siger kwam de filosofie los te staan van de theologie waardoor latere filosofen in Parijs een eigen denken konden ontwikkelen.
Een andere opmerkelijke filosoof aan de Parijse universiteit was de rector Johannes Buridanus (1295 - 1358). Het beroemde verhaal van de ezel die niet kan kiezen tussen de twee hooibalen waar hij tussen stond is van hem afkomstig. Hij bekritiseerde hiermee het idee van keuzevrijheid op basis van de leer van Aristoteles. Mensen hadden een eigen wil en waren in staat om te kiezen, maar werden daarin beperkt door hun vermogen om redelijk te denken. Het relativeren van het idee van keuzevrijheid is echter ook relevant voor de huidige economische wetenschap. Hij legde via de Ethica Nicomachea de nadruk op de onderlinge verhouding tussen politiek en moraal en verhief de ethiek tot een praktische wetenschap.
In 1358 overleed Buridanus aan de pest. Met deze filosoof verlaat Van Raak in dit boek Parijs als de plek waar filosofen uit de Lage Landen actief waren en richt zich nu op de Brabantse mystiek.
Rond het jaar 1000 kwamen er kloosterscholen waar men werd onderwezen in theologie en filosofie, met name in de leer van Augustinus, Boëthius en Plato. Door de voertaal Latijn ontstonden daardoor contacten met geleerden in heel Europa.
Almaric van Bena (overleden ca. 1207) gaf aan de universiteit in Parijs les in de filosofie van Aristoteles en ontwikkelde het pantheïsme, het idee dat God niet buiten de schepping stond maar er een onderdeel van was, waardoor de morele regels van de kerk niet meer zouden gelden. (Dit zien we later terug bij Spinoza, niet transcedent, maar immanent). Zijn leer werd rond 1210 verboden.
In De Goddelijke Komedie eert Dante de denker Siger van Brabant (ca.1240 – ca. 1281), onbekend voor de mensen van nu, maar belangrijk geweest voor de filosofie in zowel de Lage Landen als heel Europa. Op de universiteit in Parijs eiste hij het recht op om te onderwijzen in Aristoteles, waar veel boeken van beschikbaar waren. In Parijs was filosofie de voorbereiding op de studies medicijnen, rechten en theologie en dankzij de vasthoudendheid van Siger kwam de filosofie los te staan van de theologie waardoor latere filosofen in Parijs een eigen denken konden ontwikkelen.
Een andere opmerkelijke filosoof aan de Parijse universiteit was de rector Johannes Buridanus (1295 - 1358). Het beroemde verhaal van de ezel die niet kan kiezen tussen de twee hooibalen waar hij tussen stond is van hem afkomstig. Hij bekritiseerde hiermee het idee van keuzevrijheid op basis van de leer van Aristoteles. Mensen hadden een eigen wil en waren in staat om te kiezen, maar werden daarin beperkt door hun vermogen om redelijk te denken. Het relativeren van het idee van keuzevrijheid is echter ook relevant voor de huidige economische wetenschap. Hij legde via de Ethica Nicomachea de nadruk op de onderlinge verhouding tussen politiek en moraal en verhief de ethiek tot een praktische wetenschap.
In 1358 overleed Buridanus aan de pest. Met deze filosoof verlaat Van Raak in dit boek Parijs als de plek waar filosofen uit de Lage Landen actief waren en richt zich nu op de Brabantse mystiek.
2. Navolgen van Christus
In de 13e eeuw leefde in Brabant een sterke vrouw genaamd Hadewijch, die de vrijheid had bevochten om te studeren en te schrijven. Haar mystieke teksten zouden eeuwenlang een bron van inspiratie zijn om zelf na te denken en te onderzoeken o.a. voor de mysticus Jan van Ruusbroec (1293 - 1381), die de mogelijkheid liet zien van een direct besef van de aanwezigheid van God zonder bemiddeling van de kerk of theologen. Hij zou hiermee een voorbeeld worden voor de denkers in de gehele Lage Landen, (o.a. Spinoza). De Brabantse mystiek ontwikkelde zich in het economisch meest ontwikkelde deel van de Lage Landen en de Hanzesteden, waardoor het de macht van de feodale heersers bedreigde. Helaas was het ook de bloeitijd van de pest, die als straf van God werd gezien, waar de kerk dankbaar gebruik van maakte.
Geert Grote (1340 - 1384) werd ook door de pest getroffen en het verhaal gaat dat de pastoor hem weigerde de laatste sacramenten toe te dienen omdat hij in de kamer boeken over duistere magie aantrof. Nadat die openlijk waren verbrand, genas Geert Grote. Hij werd bekend om zijn kritiek op de kerk die de bouw van de Domkerk in Utrecht betaalde uit de opbrengst van de aflaten, waarmee rijken hun zonden afkochten en was de eerste die onder de naam De Moderne Devotie, een groep ‘vrije geesten’ begon, die zich bevrijdde van de kerk. Deze breidde zich uit over De Lage Landen en grote delen van Duitsland en bereikte rond 1500 haar hoogtepunt. Met name vrouwen kregen in deze beweging de kans om te studeren en te schrijven. |
Een van de beroemdste moderne devoten was Thomas a Kempis en later Suster Bertken, die 57 jaar ingemetseld in een kluis van tien vierkante meter in de Buurkerk in Utrecht gedichten en boeken schreef en mensen van advies diende.
De bestseller van Thomas a Kempis heette De Imitatione Christi (De navolging van Christus) waarin hij de relativiteit van het denken huldigt. Deze is vele eeuwen van grote invloed geweest en werd door Maarten Luther en in de 19e eeuw door kunstenaars als Vincent van Gogh omarmd. Hoewel de Moderne Devotie inhoudelijk weinig heeft bijgedragen aan de filosofie, was het wel belangrijk voor de ontwikkeling daarvan en bracht het een aantal opmerkelijke filosofen voort zoals Wessel Gansfort (1419 -1489). Net als anderen bekritiseerde hij de praktijken van de kerk, maar ging daar veel verder in en raakte de kern van de kerkleer. Zondigen leidde niet tot bederf van de ziel. Ieder mens kon door middel van meditatie en zelfreflectie de verstoorde verhouding met God herstellen. Hij verdedigde de vrije wil van de mens, die door de scholastiek zo aan banden was gelegd en accepteerde niet dat de religieuze opvattingen van kerkleiders als bindend moesten worden gezien.
Hoewel Parijs eeuwenlang de plek voor de filosofen van de Lage Landen was geweest kwamen daar tegen het eind van de 14e eeuw de universiteiten van Heidelberg, Keulen en Leuven bij, waar Aristoteles dominant en Plato populair was en de denkers uit de Nederland hun invloed lieten gelden.
Een van de interessantste filosofen in de 15e eeuw was de op de Latijnse School in Deventer opgeleide Nicolaas van Cusa (1401 - 1464). Hij deed denkexperimenten met zijn lezers door hen te laten kijken met de blik van oneindigheid. “Als we bekende vormen als lijnen, driehoeken, vierkanten en cirkels doortrekken tot in het oneindige, zullen ze allemaal samenvallen in één en hetzelfde punt”. De gevolgen waren enorm. Mensen konden dus wel degelijk kennis en inzicht krijgen voorbij de logische tegenstellingen waarvan de menselijke rede zich bediende. Dit betekende de opkomst van het humanisme.
Een vooraanstaande humanist uit Italië was Rudolf Agricola (1444 - 1485) die eigenlijk Roelof Huisman heette en in Groningen was geboren. Zijn argumentatieleer, de ‘Inventiore Dialectica’ (Over de Dialectische Vinding), waarin ontwikkeling van het eigen kenvermogen en de overtuigingskracht van de mens centraal stond, was van grote invloed op het denken in de Nederlanden. Na zijn verblijf in Italië keerde hij terug naar Groningen en reisde geregeld naar de Latijnse School in Deventer, waar hij de jonge Erasmus inspireerde. Hij stierf op 41- jarige leeftijd, maar de geest van zijn humanisme bleef voortleven en de school in Deventer werd de eerste grote school in Europa waar het humanisme vaste voet aan de grond kreeg.
Geert Grote (1340 - 1384) werd ook door de pest getroffen en het verhaal gaat dat de pastoor hem weigerde de laatste sacramenten toe te dienen omdat hij in de kamer boeken over duistere magie aantrof. Nadat die openlijk waren verbrand, genas Geert Grote. Hij werd bekend om zijn kritiek op de kerk die de bouw van de Domkerk in Utrecht betaalde uit de opbrengst van de aflaten, waarmee rijken hun zonden afkochten en was de eerste die onder de naam De Moderne Devotie, een groep ‘vrije geesten’ begon, die zich bevrijdde van de kerk. Deze breidde zich uit over De Lage Landen en grote delen van Duitsland en bereikte rond 1500 haar hoogtepunt. Met name vrouwen kregen in deze beweging de kans om te studeren en te schrijven. |
Een van de beroemdste moderne devoten was Thomas a Kempis en later Suster Bertken, die 57 jaar ingemetseld in een kluis van tien vierkante meter in de Buurkerk in Utrecht gedichten en boeken schreef en mensen van advies diende.
De bestseller van Thomas a Kempis heette De Imitatione Christi (De navolging van Christus) waarin hij de relativiteit van het denken huldigt. Deze is vele eeuwen van grote invloed geweest en werd door Maarten Luther en in de 19e eeuw door kunstenaars als Vincent van Gogh omarmd. Hoewel de Moderne Devotie inhoudelijk weinig heeft bijgedragen aan de filosofie, was het wel belangrijk voor de ontwikkeling daarvan en bracht het een aantal opmerkelijke filosofen voort zoals Wessel Gansfort (1419 -1489). Net als anderen bekritiseerde hij de praktijken van de kerk, maar ging daar veel verder in en raakte de kern van de kerkleer. Zondigen leidde niet tot bederf van de ziel. Ieder mens kon door middel van meditatie en zelfreflectie de verstoorde verhouding met God herstellen. Hij verdedigde de vrije wil van de mens, die door de scholastiek zo aan banden was gelegd en accepteerde niet dat de religieuze opvattingen van kerkleiders als bindend moesten worden gezien.
Hoewel Parijs eeuwenlang de plek voor de filosofen van de Lage Landen was geweest kwamen daar tegen het eind van de 14e eeuw de universiteiten van Heidelberg, Keulen en Leuven bij, waar Aristoteles dominant en Plato populair was en de denkers uit de Nederland hun invloed lieten gelden.
Een van de interessantste filosofen in de 15e eeuw was de op de Latijnse School in Deventer opgeleide Nicolaas van Cusa (1401 - 1464). Hij deed denkexperimenten met zijn lezers door hen te laten kijken met de blik van oneindigheid. “Als we bekende vormen als lijnen, driehoeken, vierkanten en cirkels doortrekken tot in het oneindige, zullen ze allemaal samenvallen in één en hetzelfde punt”. De gevolgen waren enorm. Mensen konden dus wel degelijk kennis en inzicht krijgen voorbij de logische tegenstellingen waarvan de menselijke rede zich bediende. Dit betekende de opkomst van het humanisme.
Een vooraanstaande humanist uit Italië was Rudolf Agricola (1444 - 1485) die eigenlijk Roelof Huisman heette en in Groningen was geboren. Zijn argumentatieleer, de ‘Inventiore Dialectica’ (Over de Dialectische Vinding), waarin ontwikkeling van het eigen kenvermogen en de overtuigingskracht van de mens centraal stond, was van grote invloed op het denken in de Nederlanden. Na zijn verblijf in Italië keerde hij terug naar Groningen en reisde geregeld naar de Latijnse School in Deventer, waar hij de jonge Erasmus inspireerde. Hij stierf op 41- jarige leeftijd, maar de geest van zijn humanisme bleef voortleven en de school in Deventer werd de eerste grote school in Europa waar het humanisme vaste voet aan de grond kreeg.
3. De Moraal van Erasmus
Erasmus ontwikkelde een eigen humanisme met invloeden van de Moderne Devotie. Opgeleid aan de Latijnse School in Deventer, moest hij na de dood van zijn moeder op 14-jarige leeftijd naar de kloosterschool in Stein bij Gouda om priester te worden. Dit stond echter lijnrecht tegenover zijn humanistisch denken en in 1495 vluchtte hij naar Parijs, waar hij ging studeren. Hij werd het voorbeeld voor Coornhert en Hugo de Groot. Zijn beroemdste werk is ‘Lof der Zotheid’, waarin de hoofdpersoon, de vrouw Dwaasheid, iedereen met macht en invloed flink op de korrel neemt. Hij eiste ruimte op voor het vrije denken en schrijven, wat we later ook terugvinden bij Spinoza. Zijn vertaling van het Nieuwe Testament op basis van de oorspronkelijke Griekse bronnen, waarin hij de lezers uitnodigde om hun eigen oordeel te vellen, was een gedurfde onderneming. Hij zat echter geklemd tussen twee werelden; enerzijds was hij een vrije filosoof, anderzijds een priester, verbonden aan de kerk, maar hij schrok er niet voor terug de liederlijke en corrupte levensstijl van de pausen te hekelen en werd hierdoor slachtoffer van een religieuze strijd, die hij met zijn humanistische filosofie juist had willen voorkomen.
In de 16e eeuw bestond het protestantisme uit een groot aantal richtingen en stromingen, waarvan het calvinisme de boventoon voerde, maar na de Unie van Utrecht werd de gereformeerde kerk een staatskerk. Een typische humanist was Dirck Volkertsz Coornhert (1522 - 1590), adviseur van Willem van Oranje. Hij brak met de katholieke kerk en erkende het calvinisme niet als staatsreligie en de gereformeerde kerk niet als enige toegestane kerk. In navolging van Erasmus keerde hij zich fel tegen het idee van de erfzonde, maar verweet hem dat hij niet met de katholieke kerk had gebroken en in het Latijn bleef schrijven. Zelf schreef hij zijn ‘Zedenkunst’, die als de eerste Ethica in Europa werd beschouwd, in de landstaal.
De volgende belangrijke filosoof was Justus Lipsius (1547 - 1606) die een alternatief probeerde te vinden voor de religieuze strijd in de Nederlanden. Zijn werk De Constantia was vooral gebaseerd op het stoïcisme en in tegenstelling tot Coornhert, die in de morele vorming van de politieke leiders geloofde, verdedigde hij in navolging van Machiavelli juist de macht van de vorst.
In de 16e eeuw bestond het protestantisme uit een groot aantal richtingen en stromingen, waarvan het calvinisme de boventoon voerde, maar na de Unie van Utrecht werd de gereformeerde kerk een staatskerk. Een typische humanist was Dirck Volkertsz Coornhert (1522 - 1590), adviseur van Willem van Oranje. Hij brak met de katholieke kerk en erkende het calvinisme niet als staatsreligie en de gereformeerde kerk niet als enige toegestane kerk. In navolging van Erasmus keerde hij zich fel tegen het idee van de erfzonde, maar verweet hem dat hij niet met de katholieke kerk had gebroken en in het Latijn bleef schrijven. Zelf schreef hij zijn ‘Zedenkunst’, die als de eerste Ethica in Europa werd beschouwd, in de landstaal.
De volgende belangrijke filosoof was Justus Lipsius (1547 - 1606) die een alternatief probeerde te vinden voor de religieuze strijd in de Nederlanden. Zijn werk De Constantia was vooral gebaseerd op het stoïcisme en in tegenstelling tot Coornhert, die in de morele vorming van de politieke leiders geloofde, verdedigde hij in navolging van Machiavelli juist de macht van de vorst.
4. De Ware Vrijheid
De moord op Johan van Oldenbarnevelt had grote gevolgen voor de filosofen in ons land.
Een van hen van Hugo de Groot (1583 - 1645). Hij was een van de vormgevers van het republikeinse ideaal: de ware vrijheid waarin verschillende groepen een eigen plek hadden en tolerantie en vrijhandel de boventoon voerden. Hij is bij iedereen bekend vanwege zijn historische ontsnapping in een boekenkist uit slot Loevestein, waarna hij naar Parijs vluchtte en daar in 1625 zijn filosofisch hoofdwerk ‘Het recht van oorlog en vrede ’schreef.
Daarin legde hij een internationaal rechtssysteem vast met natuurrecht als grondslag, wat nog steeds als voorbeeld dient. Van Raak geeft hier een uitgebreide beschrijving van dat vooral in deze tijd met zijn vele oorlogen zeer interessant is om te lezen. Zoals Erasmus het symbool voor Rotterdam is, is De Groot dat voor Den Haag met zijn internationaal Gerechtshof en Strafhof.
Een vriend van De Groot was de humanist Gerardus Vossius (1577 - 1649) die belangrijk was voor de ontwikkeling van de geschiedschrijving als wetenschap. Geschiedschrijving was voor filosofen van moreel en psychologisch nut. Vossius was een van de laatste noordelijke humanisten, een tijdperk dat met zijn dood eindigde. Deze filosofen hielden zich bezig met ethiek en politiek maar minder met de kennisleer. Daar kwam door de komst van de Fransman René Descartes (1596 - 1650) verandering in, die een nieuwe filosofie ontwikkelde. Descartes leefde 20 jaar in de Republiek. Met zijn beroemde uitspraak ‘Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben’ stelde hij het bewustzijn centraal. De weg naar de waarheid lag in de logica en de wiskunde, die hij beschreef in zijn Discours de la Methode en zijn Meditations. Het onderscheid tussen denken en uitgebreidheid vormde de basis voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen, die o.a. Christiaan Huygens en Baruch de Spinoza zou beïnvloeden.
Een van zijn leerlingen was Arnold Geulincx (1624 - 1669) die God als oplossing zag voor het probleem van verbondenheid van lichaam en geest. Elke beweging van het lichaam kwam tot stand door toedoen van God. Hij vormde daarmee een interessante schakel tussen de filosofie van Descartes en Spinoza.
De eerste vrouwelijke filosoof was de Utrechtse Anna Maria van Schurman (1607 - 1678) die een goed contact had met Descartes. Zij sloot zich aan bij de labadisten, een mystieke beweging, die streefde naar een gezuiverd christendom, waarbij vrijheid van geloven boven de kerk stond.
Wie zich in Leiden als vrijdenker ook danig roerde was Adriaan Heereboord (1613 - 1661) die Descartes een eigen plek gaf. Filosofie had volgens hem een gelijke positie als theologie en verschilde vooral in methode. De theologie beriep zich op de openbaring en de filosofie op de natuur, waarbij Descartes denkers inspireerde tot ander gedachten van de bijbel. Hij zag naast de bijbel Descartes ‘boek van de natuur’ als bron van kennis van God en de moraal.
Adriaan Beverland (1650 - 1716) ging hierin nog een stap verder. Hij liet zien hoe mensen gedreven werden door hun seksuele driften, wat hij niet als een moreel probleem, maar als een natuurlijk gegeven zag. Zijn boek Over de erfzonde (1649) werd verboden en hij vluchtte naar Engeland.
Het bestrijden van radiale denkers was in principe redelijk eenvoudig, maar werd moeilijker toen het de gewaardeerde predikant Balthasar Bekker (1634 -1698) betrof. Deze schreef de bestseller De Betoverde Wereld (1691) waar hij woorden gaf aan de geest van de nieuwe tijd en alle vormen van bijgeloof bestreed, de strijd tegen de heksenvervolging ondersteunde en zich daarbij baseerde op de methode van Descartes. Dit boek viel wel in goede aarde en werd al snel ook vertaald in het Duits, Frans en Engels.
Er werden in het hele land scholen opgericht waar filosofie en geschiedenis werden onderwezen o.a. in Rotterdam waar de Fransman Pierre Bayle (1647 - 1706) als hoogleraar werd benoemd. In tegenstelling tot Descartes leidde Bayle een teruggetrokken leven en werd beroemd om zijn groots opgezette encyclopedie Dictionaire Historique et Critique (1697 - 1702) die ook geschreven was in de geest van Descartes. Als een van de weinigen rechtvaardigde hij de keuze van Erasmus om tussen de Luther en de paus geen kant te kiezen.
Hij schreef een apart boek in het Nederlands over Spinoza, waarin hij liet zien hoe gevoelig en explosief alle woorden waren die in ons land over Spinoza werden geschreven. Hij nam nadrukkelijk afstand van Spinoza, echter niet hard genoeg, waardoor hij van spinozisme werd beschuldigd.
Een van hen van Hugo de Groot (1583 - 1645). Hij was een van de vormgevers van het republikeinse ideaal: de ware vrijheid waarin verschillende groepen een eigen plek hadden en tolerantie en vrijhandel de boventoon voerden. Hij is bij iedereen bekend vanwege zijn historische ontsnapping in een boekenkist uit slot Loevestein, waarna hij naar Parijs vluchtte en daar in 1625 zijn filosofisch hoofdwerk ‘Het recht van oorlog en vrede ’schreef.
Daarin legde hij een internationaal rechtssysteem vast met natuurrecht als grondslag, wat nog steeds als voorbeeld dient. Van Raak geeft hier een uitgebreide beschrijving van dat vooral in deze tijd met zijn vele oorlogen zeer interessant is om te lezen. Zoals Erasmus het symbool voor Rotterdam is, is De Groot dat voor Den Haag met zijn internationaal Gerechtshof en Strafhof.
Een vriend van De Groot was de humanist Gerardus Vossius (1577 - 1649) die belangrijk was voor de ontwikkeling van de geschiedschrijving als wetenschap. Geschiedschrijving was voor filosofen van moreel en psychologisch nut. Vossius was een van de laatste noordelijke humanisten, een tijdperk dat met zijn dood eindigde. Deze filosofen hielden zich bezig met ethiek en politiek maar minder met de kennisleer. Daar kwam door de komst van de Fransman René Descartes (1596 - 1650) verandering in, die een nieuwe filosofie ontwikkelde. Descartes leefde 20 jaar in de Republiek. Met zijn beroemde uitspraak ‘Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben’ stelde hij het bewustzijn centraal. De weg naar de waarheid lag in de logica en de wiskunde, die hij beschreef in zijn Discours de la Methode en zijn Meditations. Het onderscheid tussen denken en uitgebreidheid vormde de basis voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen, die o.a. Christiaan Huygens en Baruch de Spinoza zou beïnvloeden.
Een van zijn leerlingen was Arnold Geulincx (1624 - 1669) die God als oplossing zag voor het probleem van verbondenheid van lichaam en geest. Elke beweging van het lichaam kwam tot stand door toedoen van God. Hij vormde daarmee een interessante schakel tussen de filosofie van Descartes en Spinoza.
De eerste vrouwelijke filosoof was de Utrechtse Anna Maria van Schurman (1607 - 1678) die een goed contact had met Descartes. Zij sloot zich aan bij de labadisten, een mystieke beweging, die streefde naar een gezuiverd christendom, waarbij vrijheid van geloven boven de kerk stond.
Wie zich in Leiden als vrijdenker ook danig roerde was Adriaan Heereboord (1613 - 1661) die Descartes een eigen plek gaf. Filosofie had volgens hem een gelijke positie als theologie en verschilde vooral in methode. De theologie beriep zich op de openbaring en de filosofie op de natuur, waarbij Descartes denkers inspireerde tot ander gedachten van de bijbel. Hij zag naast de bijbel Descartes ‘boek van de natuur’ als bron van kennis van God en de moraal.
Adriaan Beverland (1650 - 1716) ging hierin nog een stap verder. Hij liet zien hoe mensen gedreven werden door hun seksuele driften, wat hij niet als een moreel probleem, maar als een natuurlijk gegeven zag. Zijn boek Over de erfzonde (1649) werd verboden en hij vluchtte naar Engeland.
Het bestrijden van radiale denkers was in principe redelijk eenvoudig, maar werd moeilijker toen het de gewaardeerde predikant Balthasar Bekker (1634 -1698) betrof. Deze schreef de bestseller De Betoverde Wereld (1691) waar hij woorden gaf aan de geest van de nieuwe tijd en alle vormen van bijgeloof bestreed, de strijd tegen de heksenvervolging ondersteunde en zich daarbij baseerde op de methode van Descartes. Dit boek viel wel in goede aarde en werd al snel ook vertaald in het Duits, Frans en Engels.
Er werden in het hele land scholen opgericht waar filosofie en geschiedenis werden onderwezen o.a. in Rotterdam waar de Fransman Pierre Bayle (1647 - 1706) als hoogleraar werd benoemd. In tegenstelling tot Descartes leidde Bayle een teruggetrokken leven en werd beroemd om zijn groots opgezette encyclopedie Dictionaire Historique et Critique (1697 - 1702) die ook geschreven was in de geest van Descartes. Als een van de weinigen rechtvaardigde hij de keuze van Erasmus om tussen de Luther en de paus geen kant te kiezen.
Hij schreef een apart boek in het Nederlands over Spinoza, waarin hij liet zien hoe gevoelig en explosief alle woorden waren die in ons land over Spinoza werden geschreven. Hij nam nadrukkelijk afstand van Spinoza, echter niet hard genoeg, waardoor hij van spinozisme werd beschuldigd.
5. De zonde van Spinoza
Zo komen we bij de grootste filosoof die Nederland ooit gekend heeft, Baruch de Spinoza (1632 - 1677), zoon van Portugese immigranten. Zijn vader had in Amsterdam een handel in noten en zuidvruchten die na zijn dood door Baruch en zijn broer Gabriël werd overgenomen en uit schulden bleek te bestaan. De toen 23-jarige Baruch deed daarbij een beroep op het Hollandse recht waar de meerderjarigheidsgrens op 25 jaar lag en hij daardoor niet verantwoordelijk voor de schulden kon worden gesteld. Dat zette kwaad bloed bij de Joodse gemeenschap waar je op je 13e na de Bar Mitswa volwassen bent. Twee jaar daarna werd Baruch wegens afschuwelijke ketterijen met een ongekend felle banvloek uit de gemeenschap gestoten, maar men veronderstelt dat zijn beroep op het Hollandse recht daar mogelijk ook een woordje in heeft meegespeeld. De ban is ondanks verwoede pogingen in 1925 door Joseph Klausner, in 1953 door Ben Goerion, in 2021 door Jonathan Israël en in 2015 door diverse wetenschappers en religieuze leiders nooit opgeheven. Hijzelf zat er niet mee, veranderde zijn naam in Benedictus en meldde zich aan bij de Latijnse school van Franciscus van der Enden waar hij kennis maakte met de filosofie van Descartes. Op de handelsbeurs van Amsterdam had hij al contacten opgedaan met een groep vrijdenkers die de rest van zijn leven uit zijn vriendenkring zouden blijven bestaan. Ze noemden zich de Collegianten en kwamen uit Rijnsburg, waar Spinoza een klein huisje huurde en daar zijn filosofie verder uitwerkte. Om de kost te verdienen sleep hij lenzen voor brillen en microscopen, die volgens Huygens van bijzonder fijne kwaliteit waren. Helaas verwoestte het daarbij vrijkomende glasstof zijn longen, waardoor hij al op 44-jarige leeftijd overleed. Hij had een uitgebreide correspondentie met o.a. Henry Oldenburg van de Royal Society in Londen en schreef verschillende werken zoals het Theologisch Politiek Traktaat, dat bij publicatie meteen verboden werd. Daarom liet hij zijn hoofdwerk De Ethica pas na zijn dood door zijn vrienden uitgeven. Het is op het eerste gezicht een moeilijk leesbaar boek waarbij je, zoals Jostien Gaarder in zijn boek De wereld van Sophie zo treffend zegt, ‘een hamer en een beitel nodig hebt om tot de kern door te dringen, maar dan heb je ook een loepzuivere filosofie, waar geen speld tussen te krijgen is’.
In tegenstelling tot Descartes stelde hij dat er geen twee substanties zijn, maar één die hij God oftewel Natuur noemt en in tegenstelling tot de humanisten, dat de mens niet vrij is. Alles wordt bepaald door oorzaak en gevolg. Hij was het wel met Erasmus eens dat een deugdzaam leven niet door het volgen van voorschriften werd bereikt, maar door het verkrijgen van kennis en inzicht in jezelf. Vrijheid was in harmonie leven met God oftewel de Natuur en de hoogste vorm van geluk was gemoedsrust die men verkreeg door blij te zijn en wel te doen.
Zo te zien lijkt de Ethica dus een onschuldig boek, maar niets was minder waar. Het werk is eeuwenlang diep gehaat. De kritiek van Erasmus en Coornhert op de kerk viel in het niet bij wat Spinoza losmaakte. Want hoewel zowel hun kritiek als die van Balthasar Bekker en Pierre Bayle door de Republiek werden aanvaard, lag dat bij Spinoza anders omdat hij stelde dat het mogelijk was om los van elke georganiseerde religie God te eren en een deugdzaam leven te leiden. En dat was natuurlijk tegen het zere been van de kerk.
De Republiek had altijd tolerant tegenover vrijheid van denken gestaan, omdat dat verbonden was met de heersende handelsbelangen.
Pieter de la Court (1618 - 1685) was hier een goed voorbeeld van, die het ook gebruikte om economische relaties aan te gaan met anders denkenden en de kennis en kunde van migranten. Zijn pleidooi voor vrijheid ging gepaard met felle kritiek op de Oranjes. In het kamp van de ware vrijheid stond Spinoza dus niet alleen. Tussen zijn vrienden was ook Pieter Balling (? - 1664), die de versies van de Ethica met hem besprak en Lodewijk Meyer (1629 - 1681), arts, toneelschrijver, directeur van de schouwburg en auteur van Filosofie als uitlegger van de Heilige Schrift waarin hij liet zien dat door middel van de rede een duidige interpretatie van de bijbel mogelijk was.
Een andere filosoof en vriend van Spinoza was Adriaan Koerbagh (1633 - 1669) die met zijn Een bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet ook de strijd aanging met de religieuze vooroordelen. In tegenstelling tot Spinoza schreef hij het in het Nederlands, zodat het door een breder publiek kon worden gelezen. De inhoud van het boek was aanleiding voor een in verhouding ongewoon zware straf, waarschijnlijk meer om een voorbeeld te stellen, en hij stierf op 36-jarige leeftijd aan de ontberingen in het rasphuis. Spinoza was op dat moment bezig met het afronden van zijn TTP en ondanks dat hij door de dood van Koerbagh werd gewaarschuwd, besloot hij het, zij het anoniem, toch uit te geven. De rel die het veroorzaakte deed hem besluiten de Ethica pas na zijn dood te laten publiceren.
In 2011 vond een Nederlandse onderzoeker in de archieven van het Vaticaan een ouder manuscript van de Ethica. Deze vondst liet zien hoe wijdverbreid de netwerken van Spinoza inmiddels waren en het onderhands druk werd gelezen en doorgegeven.
De filosofie van Spinoza bleef de gemoederen verhitten. De ware vrijheid en het ware geloof bleven tegenover elkaar staan. Interessant hierin is de filosoof en theoloog Petrus van Balen (1643 - 1690). Hij was de predikant van Amalia van Solms, de grootmoeder van Willem III en had daardoor goede contacten met het huis van Oranje. Daarnaast had hij rechten en geneeskunde gestudeerd. In 1682 schreef hij De verbetering der gedagten, waarin hij een uitwerking gaf van Spinoza’s onvoltooide werk ‘Verhandeling over de verbetering van het verstand’ en daarbij veel voorbeelden van Spinoza gebruikte.In tegenstelling tot Descartes stelde hij dat er geen twee substanties zijn, maar één die hij God oftewel Natuur noemt en in tegenstelling tot de humanisten, dat de mens niet vrij is. Alles wordt bepaald door oorzaak en gevolg. Hij was het wel met Erasmus eens dat een deugdzaam leven niet door het volgen van voorschriften werd bereikt, maar door het verkrijgen van kennis en inzicht in jezelf. Vrijheid was in harmonie leven met God oftewel de Natuur en de hoogste vorm van geluk was gemoedsrust die men verkreeg door blij te zijn en wel te doen.
Zo te zien lijkt de Ethica dus een onschuldig boek, maar niets was minder waar. Het werk is eeuwenlang diep gehaat. De kritiek van Erasmus en Coornhert op de kerk viel in het niet bij wat Spinoza losmaakte. Want hoewel zowel hun kritiek als die van Balthasar Bekker en Pierre Bayle door de Republiek werden aanvaard, lag dat bij Spinoza anders omdat hij stelde dat het mogelijk was om los van elke georganiseerde religie God te eren en een deugdzaam leven te leiden. En dat was natuurlijk tegen het zere been van de kerk.
De Republiek had altijd tolerant tegenover vrijheid van denken gestaan, omdat dat verbonden was met de heersende handelsbelangen.
Pieter de la Court (1618 - 1685) was hier een goed voorbeeld van, die het ook gebruikte om economische relaties aan te gaan met anders denkenden en de kennis en kunde van migranten. Zijn pleidooi voor vrijheid ging gepaard met felle kritiek op de Oranjes. In het kamp van de ware vrijheid stond Spinoza dus niet alleen. Tussen zijn vrienden was ook Pieter Balling (? - 1664), die de versies van de Ethica met hem besprak en Lodewijk Meyer (1629 - 1681), arts, toneelschrijver, directeur van de schouwburg en auteur van Filosofie als uitlegger van de Heilige Schrift waarin hij liet zien dat door middel van de rede een duidige interpretatie van de bijbel mogelijk was.
Een andere filosoof en vriend van Spinoza was Adriaan Koerbagh (1633 - 1669) die met zijn Een bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet ook de strijd aanging met de religieuze vooroordelen. In tegenstelling tot Spinoza schreef hij het in het Nederlands, zodat het door een breder publiek kon worden gelezen. De inhoud van het boek was aanleiding voor een in verhouding ongewoon zware straf, waarschijnlijk meer om een voorbeeld te stellen, en hij stierf op 36-jarige leeftijd aan de ontberingen in het rasphuis. Spinoza was op dat moment bezig met het afronden van zijn TTP en ondanks dat hij door de dood van Koerbagh werd gewaarschuwd, besloot hij het, zij het anoniem, toch uit te geven. De rel die het veroorzaakte deed hem besluiten de Ethica pas na zijn dood te laten publiceren.
In 2011 vond een Nederlandse onderzoeker in de archieven van het Vaticaan een ouder manuscript van de Ethica. Deze vondst liet zien hoe wijdverbreid de netwerken van Spinoza inmiddels waren en het onderhands druk werd gelezen en doorgegeven.
Hij had ook goede contacten met John Locke (1632 - 1704). Deze filosoof bewonderde Descartes, maar wees ook op de waarde van de ervaring en de zintuigen.
De vraag blijft waarom de angst voor Spinoza zo werd opgeklopt.
Hij leefde vrij geïsoleerd, cartesianen en regenten hielden afstand van hem en zijn boeken waren verboden. Maar ondanks dat werd het gevaar van hem proportioneel uitvergroot en gebruikt als een stok om mee te slaan.
Hij leefde vrij geïsoleerd, cartesianen en regenten hielden afstand van hem en zijn boeken waren verboden. Maar ondanks dat werd het gevaar van hem proportioneel uitvergroot en gebruikt als een stok om mee te slaan.
6. Newton in de polder
De overgang van de 17e naar de 18e eeuw werd ‘de kleine ijstijd’ genoemd, vanwege zijn strenge kou, die de winterlandschappen van onze Hollandse meesters opleverde.
De natuurkundige Jan Engelman (1710 - 1782) trok met zijn microscoop de besneeuwde polder in zag in de prachtige figuren van de ijskristallen ‘de hand van God’. Hij tekende ze na in zijn boek ‘Het regt gebruik der natuurbeschouwingen’. Degene die bij zijn onderzoek naar de natuur ook de hand van God zag, was Isaac Newton (1643 - 1727) grondlegger van de natuurwetenschappen, die geloof en wetenschap met elkaar verbond en in zijn ‘Wetten van Newton’ de zwaartekracht beschreef, wat de basis vormde van de klassiek mechanica. Na uitgave van zijn boek ‘Opticks’, waarin hij de suggestie had gedaan dat zijn methode van natuuronderzoek ook geschikt zou zijn voor de moraalfilosofie, gingen onderzoekers hierover met elkaar filosoferen. Descartes had hiervoor al de basis gelegd met zijn ‘Principes van de filosofie’ (1644) en Newton zette daar zijn ‘De wiskundige beginselen van de natuurfilosofie’(1687) tegenover. Daarin liet hij bij het belang van de wiskunde ook ruimte over voor de blijvende bemoeienis van God die hij zag als de veroorzaker van deze onzichtbare krachten. Het bracht Nederlandse genootschappen op de been waar experimenten werden gedaan. De oudste was de Haarlemse ‘Hollandsche Maatschappy der Wetenschappen’ van Jan Engelman. De fysicotheologie kwam hiermee op gang.
De natuurkundige Jan Engelman (1710 - 1782) trok met zijn microscoop de besneeuwde polder in zag in de prachtige figuren van de ijskristallen ‘de hand van God’. Hij tekende ze na in zijn boek ‘Het regt gebruik der natuurbeschouwingen’. Degene die bij zijn onderzoek naar de natuur ook de hand van God zag, was Isaac Newton (1643 - 1727) grondlegger van de natuurwetenschappen, die geloof en wetenschap met elkaar verbond en in zijn ‘Wetten van Newton’ de zwaartekracht beschreef, wat de basis vormde van de klassiek mechanica. Na uitgave van zijn boek ‘Opticks’, waarin hij de suggestie had gedaan dat zijn methode van natuuronderzoek ook geschikt zou zijn voor de moraalfilosofie, gingen onderzoekers hierover met elkaar filosoferen. Descartes had hiervoor al de basis gelegd met zijn ‘Principes van de filosofie’ (1644) en Newton zette daar zijn ‘De wiskundige beginselen van de natuurfilosofie’(1687) tegenover. Daarin liet hij bij het belang van de wiskunde ook ruimte over voor de blijvende bemoeienis van God die hij zag als de veroorzaker van deze onzichtbare krachten. Het bracht Nederlandse genootschappen op de been waar experimenten werden gedaan. De oudste was de Haarlemse ‘Hollandsche Maatschappy der Wetenschappen’ van Jan Engelman. De fysicotheologie kwam hiermee op gang.
Een van de invloedrijkste bestrijders van het spinozisme was Bernhard Nieuwentijt (1654 - 1718) de stadsarts en burgemeester van Purmerend. Zijn bestseller Het regt gebruik der wereltbeschouwinge ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen (1715) werd een bijbel voor het natuuronderzoek en werd vertaald in het Engels, Frans en Duits. Zijn andere werk: Gronden van Zekerheid (1720) was een verdediging van Newtons empirische methode en een verwerping van de rationele methode van Descartes en Spinoza. Hij leek daarmee het spook van het spinozisme te willen verjagen.
In het jaar dat Het Regt werd gepubliceerd ging Willem Jacob ’s Gravensande (1688 - 1742) op bezoek bij de Royal Society in Londen, waar hij kennis maakte met Newton en zijn belangrijkste pleitbezorger van zijn denken werd. In 1720 publiceerde hij in samenwerking met Jan Engelsman zijn boek met de lange titel: Wiskundige Beginselen der Natuurkunde door experimenten bevestigd, ofwel inleiding tot de Newtoniaanse wijsbegeerte. Dit boek werd sindsdien aan de universiteiten in heel Europa gebruikt. Hij stopt daarmee de geest van Spinoza in de fles, zette er een kurk op en maakte daarmee de Newtoniaanse wijsbegeerte als handhaver van godsdienst en moraal status quo.
Maar een leer die zozeer een beroep deed op de schoonheid van de natuur, moest toch ook ruimte bieden aan de emoties en verwondering van de mensen. Frans Hemsterhuis (1721 - 1790) vulde het newtoniaanse denken daarom aan met het klassieke humanisme in de vorm van de dialogen van Plato over Socrates.
De mens was zoals bij Newton onderhevig aan de objectieve wetten van de natuur, maar ook een subject dat zelf moest denken, zoals bij de methode van Socrates. Hierin is de overgang te zien van de experimentele methode naar de literaire methode. Deze dialoogvorm werd overgenomen door Betje Wolf 1738 - 1804) en Aagje Deken (1741 - 1804) in hun bestseller Sara Burgerhart, dat tevens een verzet tegen het calvinistische dogmatisme was.
De mens was zoals bij Newton onderhevig aan de objectieve wetten van de natuur, maar ook een subject dat zelf moest denken, zoals bij de methode van Socrates. Hierin is de overgang te zien van de experimentele methode naar de literaire methode. Deze dialoogvorm werd overgenomen door Betje Wolf 1738 - 1804) en Aagje Deken (1741 - 1804) in hun bestseller Sara Burgerhart, dat tevens een verzet tegen het calvinistische dogmatisme was.
Hiermee komen we bij de Verlichting in Nederland, waarvan Spinoza de grondlegger van wordt genoemd.
Een beroep op het verstand en de moed om zaken te veranderen zien we in de tweede helft van de 18e eeuw bij de patriotten, die hun pijlen richtten op de zwakke Willem V van Oranje.
De grondlegger van deze beweging was Joan Derk van den Capellen (1714 - 1784) met zijn pamflet Aan het volk van Nederland (1781), dat een aanklacht de kliek rondom de stadhouder was. Hierin werd een beroep gedaan op het natuurrecht en verwezen naar de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776.
Een andere patriot was Gerrit Paape (1752 - 1803) die naar Frankrijk moest vluchten en daar in 1792 het brievenboek Mijn vrolijke wijsbegeerte in mijn ballingschap schreef. Het was een morele leer met een politiek doel.
In Pruisen verscheen in 1782 Kritiek van de zuivere rede van Immanuel Kant, waarin hij schreef dat onze kennis afhankelijk was van ervaringen via de zintuigen (Newton) en de rede (Spinoza).
Een beroep op het verstand en de moed om zaken te veranderen zien we in de tweede helft van de 18e eeuw bij de patriotten, die hun pijlen richtten op de zwakke Willem V van Oranje.
De grondlegger van deze beweging was Joan Derk van den Capellen (1714 - 1784) met zijn pamflet Aan het volk van Nederland (1781), dat een aanklacht de kliek rondom de stadhouder was. Hierin werd een beroep gedaan op het natuurrecht en verwezen naar de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776.
Een andere patriot was Gerrit Paape (1752 - 1803) die naar Frankrijk moest vluchten en daar in 1792 het brievenboek Mijn vrolijke wijsbegeerte in mijn ballingschap schreef. Het was een morele leer met een politiek doel.
In Pruisen verscheen in 1782 Kritiek van de zuivere rede van Immanuel Kant, waarin hij schreef dat onze kennis afhankelijk was van ervaringen via de zintuigen (Newton) en de rede (Spinoza).
Hoewel de Republiek altijd vooropgelopen had in het verwerken van nieuwe ideeën, raakte men eind 18e eeuw meer in zichzelf gekeerd en kon Kant op weinig sympathie rekenen.
Degene die zich wel bekeerde tot zijn filosofie was de Amsterdamse predikant Paulus van Hemert (1756 - 1825). Hij schreef de vierdelige Beginzels der Kantiaanse wijsbegeerte (1796 - 1798), waarin hij Kant toegankelijk wilde maken voor een breder publiek dat echter zou mislukken. Hij riep ook het eerste wijsgerig tijdschrift in het leven: Het Magazyn voor critische wijsgeerte en de geschiedenis van dezelve, waarin hij de filosofie van Kant probeerde uit te leggen aan een breder lezerspubliek en bijzondere aandacht gaf aan de morele leer van Kant: zo handelen dat je zou willen dat de keuzes die je maak tot algemene wet worden. Dit leidde tot felle reacties. Een felheid die we ook zagen bij Spinoza. Daniël Wyttenbach (1746 - 1820) noemde Hemert denigrerend ‘magazijnmeester’ en geloofde meer in de terugkeer van Plato en Cicero als basis voor de morele ontwikkeling, omdat hun blik vooral gericht was op het verleden in plaats van op de eigen tijd. Deze angst voor het vooruitgangsdenken was mede ingegeven door de Franse revolutie, die door de inval van Napoleon een einde aan het bestaan van de republiek maakte.
Degene die zich wel bekeerde tot zijn filosofie was de Amsterdamse predikant Paulus van Hemert (1756 - 1825). Hij schreef de vierdelige Beginzels der Kantiaanse wijsbegeerte (1796 - 1798), waarin hij Kant toegankelijk wilde maken voor een breder publiek dat echter zou mislukken. Hij riep ook het eerste wijsgerig tijdschrift in het leven: Het Magazyn voor critische wijsgeerte en de geschiedenis van dezelve, waarin hij de filosofie van Kant probeerde uit te leggen aan een breder lezerspubliek en bijzondere aandacht gaf aan de morele leer van Kant: zo handelen dat je zou willen dat de keuzes die je maak tot algemene wet worden. Dit leidde tot felle reacties. Een felheid die we ook zagen bij Spinoza. Daniël Wyttenbach (1746 - 1820) noemde Hemert denigrerend ‘magazijnmeester’ en geloofde meer in de terugkeer van Plato en Cicero als basis voor de morele ontwikkeling, omdat hun blik vooral gericht was op het verleden in plaats van op de eigen tijd. Deze angst voor het vooruitgangsdenken was mede ingegeven door de Franse revolutie, die door de inval van Napoleon een einde aan het bestaan van de republiek maakte.
7. Filosofie en Politiek
Filosofie voor Nederland
In 1795 viel Napoleon ons land binnen en kwam er een einde aan de republiek. Het werd een koninkrijk waarin de ongelijkheid van mensen, - koning versus onderdaan en baas versus knecht - voorwaarde was voor de samenleving. De filosofie speelde hierop in.
Philip Willem van Heusden (1778 - 1839) meende dat mensen niet ergens in uitblonken, maar evenwichtig waren in al het goede.
Johannes Frederik Schröder (1774 - 1845) maakte als voorwaarde voor het verkrijgen van kennis, ruimte voor de morele ontwikkeling van ieder mens afzonderlijk. Dit werd ook het doel van Van Heusden in zijn leerboek: De Socratische School of Wijsgeerte voor de negentiende eeuw. (Grappig dat er in die tijd steeds gesproken werd van wijsgeerte in plaats van wijsbegeerte).
Hoewel hij daarin niet verwees naar Erasmus is het een humanistische leer. Met de term ‘socratisch’ verwees hij hiermee naar Frans Hemsterhuis en was het een poging tot restauratie van het monarchale idee.
Door Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872) werd er een liberaal stempel op de politiek gedrukt wat resulteerde in de grondwet van 1848. Hij kwam in contact met Goethe en Hegel en kreeg zo ook kennis van Spinoza, die door beiden werd vereerd. Hoewel hij graag over Spinoza wilde publiceren, durfde hij dat niet omdat er nog altijd een groot taboe op diens filosofie rustte. Daarom schreef hij in 1824 Duitsland zijn belangrijkste filosofische werk: Über das Wesen und der organischen Charakter der Geschichte. In zijn liberalisme stond de individuele mens centraal en mochten in een gemeenschap de verschillen niet te groot zijn. De grondwet was hierbij leidend met daarin de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht van vereniging.
Philip Willem van Heusden (1778 - 1839) meende dat mensen niet ergens in uitblonken, maar evenwichtig waren in al het goede.
Johannes Frederik Schröder (1774 - 1845) maakte als voorwaarde voor het verkrijgen van kennis, ruimte voor de morele ontwikkeling van ieder mens afzonderlijk. Dit werd ook het doel van Van Heusden in zijn leerboek: De Socratische School of Wijsgeerte voor de negentiende eeuw. (Grappig dat er in die tijd steeds gesproken werd van wijsgeerte in plaats van wijsbegeerte).
Hoewel hij daarin niet verwees naar Erasmus is het een humanistische leer. Met de term ‘socratisch’ verwees hij hiermee naar Frans Hemsterhuis en was het een poging tot restauratie van het monarchale idee.
Door Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872) werd er een liberaal stempel op de politiek gedrukt wat resulteerde in de grondwet van 1848. Hij kwam in contact met Goethe en Hegel en kreeg zo ook kennis van Spinoza, die door beiden werd vereerd. Hoewel hij graag over Spinoza wilde publiceren, durfde hij dat niet omdat er nog altijd een groot taboe op diens filosofie rustte. Daarom schreef hij in 1824 Duitsland zijn belangrijkste filosofische werk: Über das Wesen und der organischen Charakter der Geschichte. In zijn liberalisme stond de individuele mens centraal en mochten in een gemeenschap de verschillen niet te groot zijn. De grondwet was hierbij leidend met daarin de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht van vereniging.
De academische filosofie
Een filosoof die een stempel drukte op academisch denken was Cornelis Opzoomer (1821 - 1892), leerling van Thorbecke en pleitbezorger van diens liberalisme. Hij werd later ook beïnvloed door John Stuart Mill, bij wie de ervaring centraal stond. Hij maakte de enorme ontwikkeling van vooral de natuurwetenschappen mee en deed een beroep op de ‘innerlijke waarneming’ die gepaard gaat met gevoelens. Hij werd ook pleitbezorger van de moderne theologie, waarin kennis van de wetenschappen leidend was, Christus slechts een historisch figuur en de bijbel mensenwerk was. Vanaf 1876 werd filosofie een vakwetenschap.
Zijn leerling en opvolger was Bernard van der Wijck (1836 - 1925), die steeds meer de kant van Kant opging. Hij ging op zoek naar alternatieven en kwam daarbij uit op Spinoza. Met zijn essay Spinoza sloot hij aan bij de opkomende beweging van spinozisten.
Iemand die een rol in deze bloei heeft gehad is Johannes van Vloten (1818 -1883). Hij beschreef Spinoza’s filosofie in een eigen vorm, een levensleer voor de mensen in die tijd. Als humanist zocht hij in de leer van Spinoza een alternatief voor het christelijk denken. In 1877, 200 jaar na Spinoza’s dood, zamelde hij geld in voor het standbeeld dat op 14 september 1880 op de Paviljoensgracht werd onthuld en hield daarbij zijn toespraak: ’Spinoza, de blijde boodschapper der mondige mensheid’.
De terugkeer van de geest van Spinoza leidde opnieuw tot politiek onrust.
De inspanningen van Van Vloten om Spinoza in ons land onder de aandacht te brengen werden daarna voortgezet door Jacob Molenschott (1822 - 1893). Deze arts, chemicus en fysioloog onderzocht onder invloed van de filosofie van Spinoza de werking van de hersenen en liet zien dat die onderworpen was aan de wetten van de natuur. Het had weinig zin om van mensen goed gedrag te verwachten als de materiële voorwaarden dit in de weg stonden. Opvoeding en het juiste dieet was hierbij van belang. Lichaam en geest waren met elkaar verbonden en werkten op elkaar in.
Een schrijver die zich door dit gelouterde spinozisme liet inspireren was Multatuli (Eduard Douwes Dekker (1820 - 1887), bekend van zijn werk Max Havelaar. Het denken en doen van mensen was onderhevig aan een oneindige hoeveelheid oorzaken en gevolgen en hoewel ons redelijk kenvermogen tekortschoot om die te leren kennen, kan men die verkrijgen door intuïtieve kennis en deze taak lag in de literatuur. In 1862 en 1864 stelde hij zich kandidaat voor de Tweede Kamer en pleitte voor goed voedsel en beter onderwijs voor de arbeiders.
In 1865 werd in Amsterdam de vereniging ‘De Dageraad’ opgericht die een tijdschrift onder dezelfde naam uitbracht. Molenschott publiceerde daarin o.a. een flink stuk over het kiesrecht voor vrouwen en de eerste vrouwelijk arts Aletta Jacobs was hierin ook actief. Het werd een ontmoetingsplaats voor socialisten en het is opmerkelijk dat Spinoza bij hen zo aansloeg.
De dichter Herman Gorter vertaalde in 1895 de Ethica in het Nederlands en schreef een aantal gedichten over Spinoza’s leer als een manier om de wereld in haar eenheid van geest en materie te leren kennen. Dit literaire spinozisme bleek een bron van inspiratie en onder invloed van de filosofie kreeg het socialisme in ons land een eigen karakter.
Iemand die een rol in deze bloei heeft gehad is Johannes van Vloten (1818 -1883). Hij beschreef Spinoza’s filosofie in een eigen vorm, een levensleer voor de mensen in die tijd. Als humanist zocht hij in de leer van Spinoza een alternatief voor het christelijk denken. In 1877, 200 jaar na Spinoza’s dood, zamelde hij geld in voor het standbeeld dat op 14 september 1880 op de Paviljoensgracht werd onthuld en hield daarbij zijn toespraak: ’Spinoza, de blijde boodschapper der mondige mensheid’.
De terugkeer van de geest van Spinoza leidde opnieuw tot politiek onrust.
De inspanningen van Van Vloten om Spinoza in ons land onder de aandacht te brengen werden daarna voortgezet door Jacob Molenschott (1822 - 1893). Deze arts, chemicus en fysioloog onderzocht onder invloed van de filosofie van Spinoza de werking van de hersenen en liet zien dat die onderworpen was aan de wetten van de natuur. Het had weinig zin om van mensen goed gedrag te verwachten als de materiële voorwaarden dit in de weg stonden. Opvoeding en het juiste dieet was hierbij van belang. Lichaam en geest waren met elkaar verbonden en werkten op elkaar in.
Een schrijver die zich door dit gelouterde spinozisme liet inspireren was Multatuli (Eduard Douwes Dekker (1820 - 1887), bekend van zijn werk Max Havelaar. Het denken en doen van mensen was onderhevig aan een oneindige hoeveelheid oorzaken en gevolgen en hoewel ons redelijk kenvermogen tekortschoot om die te leren kennen, kan men die verkrijgen door intuïtieve kennis en deze taak lag in de literatuur. In 1862 en 1864 stelde hij zich kandidaat voor de Tweede Kamer en pleitte voor goed voedsel en beter onderwijs voor de arbeiders.
In 1865 werd in Amsterdam de vereniging ‘De Dageraad’ opgericht die een tijdschrift onder dezelfde naam uitbracht. Molenschott publiceerde daarin o.a. een flink stuk over het kiesrecht voor vrouwen en de eerste vrouwelijk arts Aletta Jacobs was hierin ook actief. Het werd een ontmoetingsplaats voor socialisten en het is opmerkelijk dat Spinoza bij hen zo aansloeg.
De dichter Herman Gorter vertaalde in 1895 de Ethica in het Nederlands en schreef een aantal gedichten over Spinoza’s leer als een manier om de wereld in haar eenheid van geest en materie te leren kennen. Dit literaire spinozisme bleek een bron van inspiratie en onder invloed van de filosofie kreeg het socialisme in ons land een eigen karakter.
8. Wijsbegeerte of wetenschap
Met de oprichting van het ‘Tijdschrift voor Wijsbegeerte’ (1907) en de ‘Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW 1916) ontstond er in Nederland een ware opleving van de filosofie.
De filosoof Gerard Heijmans (1857 - 1930) legde daarbij het accent op het bewustzijn en zijn filosofie wordt daarom het psychisch-monisme genoemd. Zijn belangrijkste werk was: Inleiding in de metaphysica op grondslag der ervaring (1933). Zijn Psychologie der vrouwen (1911) was een psychologisch onderzoek naar de vrouw, waarin de vooroordelen die heersten bevestigd werden en een belangrijke stap was naar de emancipatie. In tegenstelling tot Thorbecke, die kiesrecht verbond aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde, stelde hij dat het af moest hangen van het onderwijs dat men had genoten en dat het toegankelijk moest zijn voor mannen én vrouwen. Zijn psychisch- monisme werd een levensleer, waarin God werd ingeruild voor het idee van een ‘wereldziel’, waarmee ieder mens was verbonden en waarin ons bewustzijn zou terugkeren.
Een tweede spraakmakende filosoof uit die tijd was Gerard Bolland (1854 -1922) die een turbulent leven leidde. In zijn jeugd was hij onhandelbaar, belandde in de gevangenis en vertrok in 1881 naar Nederlands-Indië, waar hij zich, als autodidact, verdiepte in de wijsbegeerte. Hij kreeg als niet academicus een leerstoel in Leiden, werd specialist in de leer van Hegel en zette zich fel af tegen elke andere filosofie. In zijn Boeken der spreuken uit de leerzaal van zuiver rede (1915) baseerde hij zich op de filosofie van Hegel. In 1921, vlak voor zijn dood, hield hij een rede getiteld: De Teekenen des Tijds, waarin bleek dat hij aanhanger was van het opkomende fascisme en een aanval deed op het internationale jodendom. Een reden voor Van Raak om in 2003 de buste van Bolland bij de entree van de Tweede Kamer te laten verwijderen.
De filosoof Gerard Heijmans (1857 - 1930) legde daarbij het accent op het bewustzijn en zijn filosofie wordt daarom het psychisch-monisme genoemd. Zijn belangrijkste werk was: Inleiding in de metaphysica op grondslag der ervaring (1933). Zijn Psychologie der vrouwen (1911) was een psychologisch onderzoek naar de vrouw, waarin de vooroordelen die heersten bevestigd werden en een belangrijke stap was naar de emancipatie. In tegenstelling tot Thorbecke, die kiesrecht verbond aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde, stelde hij dat het af moest hangen van het onderwijs dat men had genoten en dat het toegankelijk moest zijn voor mannen én vrouwen. Zijn psychisch- monisme werd een levensleer, waarin God werd ingeruild voor het idee van een ‘wereldziel’, waarmee ieder mens was verbonden en waarin ons bewustzijn zou terugkeren.
Een tweede spraakmakende filosoof uit die tijd was Gerard Bolland (1854 -1922) die een turbulent leven leidde. In zijn jeugd was hij onhandelbaar, belandde in de gevangenis en vertrok in 1881 naar Nederlands-Indië, waar hij zich, als autodidact, verdiepte in de wijsbegeerte. Hij kreeg als niet academicus een leerstoel in Leiden, werd specialist in de leer van Hegel en zette zich fel af tegen elke andere filosofie. In zijn Boeken der spreuken uit de leerzaal van zuiver rede (1915) baseerde hij zich op de filosofie van Hegel. In 1921, vlak voor zijn dood, hield hij een rede getiteld: De Teekenen des Tijds, waarin bleek dat hij aanhanger was van het opkomende fascisme en een aanval deed op het internationale jodendom. Een reden voor Van Raak om in 2003 de buste van Bolland bij de entree van de Tweede Kamer te laten verwijderen.
Op zoek naar eenheid
Een spil in de wijsgerige beweging in ons land was de spinozist Johannes D. Bierens de Haan (1866 - 1943). In tegenstelling tot Bolland wilde hij verschillende filosofen bijeen brengen en presenteerde in zijn: Levensleer naar de beginselen van Spinoza (1900) en Uren met Spinoza (1913) het spinozisme als levensleer voor een breder lezerspubliek.
(De originele versie van dat laatste boek heb ik in mijn bezit).
Hij beschreef het spinozisme als een alternatief voor georganiseerde religies.
In 1936, midden in de tijd van economische crisis, dreigend communisme en snelgroeiend fascisme, werd hem ter ere van zijn 70e verjaardag een feestbundel aangeboden met bijdragen van filosofen van verschillende politieke achtergronden.
Een van hen was Hendrik Pos (1898 – 1955) die veel belang in de metafysica stelde en vond dat het humanisme een eigen filosofisch fundament moest hebben. Na de Tweede Wereldoorlog was hij dan ook betrokken bij de oprichting van he Humanistisch Verbond.
Een andere ontwikkeling in de filosofie in ons land was de signifische beweging, een taalfilosofie waar de Wiener Kreis en de filosofie van Ludwig Wittgenstein zich mee bezig hielden en in ons land vanaf 1916 de ISVW.
De fysicus en filosoof Jacob Clay (1882 - 1955) bracht de natuurwetenschappen en de filosofie bij elkaar. Als fysicus stelde hij groot belang in de experimentele methode om kennis van de natuur te verkrijgen en de filosofie was nodig om de logica der wetten te achterhalen. Hij zette zich af tegen de politiek opvattingen en semi-diepzinnige taalspelletjes van Bolland en was vanaf 1946 voorzitter van de ISVW.
Wie ook inging tegen de taalfilosofie van de Wiener Kreis was Luitzen Egbertus (Bert) Brouwer (1881 - 1966) die op zijn zestiende wis- en natuurkunde in Amsterdam ging studeren. In 1905 verscheen zijn Leven, kunst en mystiek, waarin hij liet zien hoe de mensheid was vervreemd van de natuur, zich moest afkeren van de maatschappij en op zoek moest gaan naar innerlijke harmonie. Hij legde de basis voor de íntuïtionistische wiskunde, het idee dat logica en wiskunde hun fundament in de menselijke keuze had. Hij werd uitgenodigd dit bij de Wiener Kreis toe te lichten en in zijn lezing ‘Wiskunde, Wetenschap en Taal’ legde hij de basis voor de signifische beweging, een denkrichting die in de Eerste Wereldoorlog was ontstaan en tot doel had door middel van taal het onderlinge begrip tussen mensen te bevorderen.
Gerrit Mannoury (1867 -1956) speelde hierin ook een grote rol. Ook hij was een autodidact en voor hem betekende Significa, de studie van de taal als ‘taaldaad’. Dit was het onderwerp van zijn inaugurele rede Over de sociale betekenis van de wiskundige denkvorm. Hij organiseerde in 1922 de Signifische Kring en in 1937 de Signifische Studiegroep. Geïnspireerd door Spinoza vroeg hij als lid van de Communistische Partij Nederland (CPN) aandacht voor het eigen denken van alle leden en de ontwikkeling van mensen tot kritische burgers. In het partijblad ‘De Tribune’ liet hij zien dat communisme ook een gedachtenstrijd moest zijn als manier om macht te krijgen over het eigen denken, wat echter vanuit de Sovjet-Unie op kritiek stuitte. De bekende Henriëtte Roland Holst (1869 - 1952) was hierin ook actief en zat in de redactie van ‘Vorbote’, een internationaal tijdschrift voor marxisme. Ze raakte echte in conflict met mederedacteur Vladimir Lenin, die de communistische revolutie zou ontketenen en de Sovjet-Unie zou uitroepen.
(De originele versie van dat laatste boek heb ik in mijn bezit).
Hij beschreef het spinozisme als een alternatief voor georganiseerde religies.
In 1936, midden in de tijd van economische crisis, dreigend communisme en snelgroeiend fascisme, werd hem ter ere van zijn 70e verjaardag een feestbundel aangeboden met bijdragen van filosofen van verschillende politieke achtergronden.
Een van hen was Hendrik Pos (1898 – 1955) die veel belang in de metafysica stelde en vond dat het humanisme een eigen filosofisch fundament moest hebben. Na de Tweede Wereldoorlog was hij dan ook betrokken bij de oprichting van he Humanistisch Verbond.
Een andere ontwikkeling in de filosofie in ons land was de signifische beweging, een taalfilosofie waar de Wiener Kreis en de filosofie van Ludwig Wittgenstein zich mee bezig hielden en in ons land vanaf 1916 de ISVW.
De fysicus en filosoof Jacob Clay (1882 - 1955) bracht de natuurwetenschappen en de filosofie bij elkaar. Als fysicus stelde hij groot belang in de experimentele methode om kennis van de natuur te verkrijgen en de filosofie was nodig om de logica der wetten te achterhalen. Hij zette zich af tegen de politiek opvattingen en semi-diepzinnige taalspelletjes van Bolland en was vanaf 1946 voorzitter van de ISVW.
Wie ook inging tegen de taalfilosofie van de Wiener Kreis was Luitzen Egbertus (Bert) Brouwer (1881 - 1966) die op zijn zestiende wis- en natuurkunde in Amsterdam ging studeren. In 1905 verscheen zijn Leven, kunst en mystiek, waarin hij liet zien hoe de mensheid was vervreemd van de natuur, zich moest afkeren van de maatschappij en op zoek moest gaan naar innerlijke harmonie. Hij legde de basis voor de íntuïtionistische wiskunde, het idee dat logica en wiskunde hun fundament in de menselijke keuze had. Hij werd uitgenodigd dit bij de Wiener Kreis toe te lichten en in zijn lezing ‘Wiskunde, Wetenschap en Taal’ legde hij de basis voor de signifische beweging, een denkrichting die in de Eerste Wereldoorlog was ontstaan en tot doel had door middel van taal het onderlinge begrip tussen mensen te bevorderen.
Gerrit Mannoury (1867 -1956) speelde hierin ook een grote rol. Ook hij was een autodidact en voor hem betekende Significa, de studie van de taal als ‘taaldaad’. Dit was het onderwerp van zijn inaugurele rede Over de sociale betekenis van de wiskundige denkvorm. Hij organiseerde in 1922 de Signifische Kring en in 1937 de Signifische Studiegroep. Geïnspireerd door Spinoza vroeg hij als lid van de Communistische Partij Nederland (CPN) aandacht voor het eigen denken van alle leden en de ontwikkeling van mensen tot kritische burgers. In het partijblad ‘De Tribune’ liet hij zien dat communisme ook een gedachtenstrijd moest zijn als manier om macht te krijgen over het eigen denken, wat echter vanuit de Sovjet-Unie op kritiek stuitte. De bekende Henriëtte Roland Holst (1869 - 1952) was hierin ook actief en zat in de redactie van ‘Vorbote’, een internationaal tijdschrift voor marxisme. Ze raakte echte in conflict met mederedacteur Vladimir Lenin, die de communistische revolutie zou ontketenen en de Sovjet-Unie zou uitroepen.
9. Politiek en filosofie
Filosofie en politiek waren in ons altijd met elkaar verbonden. Eerst in de voortdurende strijd tussen ‘de ware vrijheid’ en ‘de ware religie’, daarna in het liberalisme van Thorbecke gevolgd door de sociale beweging. De krachtigste oppositie tegen de liberalen kwam van de gereformeerden onder leiding van Abraham Kuyper, die hiervoor een eigen zuil oprichtte de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Hierin stond ‘de soevereiniteit in eigen kring’ centraal. Een van de leden was Herman Dooyenweerd (1894 - 1977), die dit concept verder uitwerkte tot een filosofische stelsel. Staat, kerk, handel en gezin hadden hun eigen soevereine wetten, waardoor de staat niet zomaar in de kring kon treden. Voor hem was het nadenken over die wetsorde een religieus denken, maar de opkomst van he nazisme leidde bij hem tot de opvatting dat filosofen van alle richtingen de handen ineen moesten slaan.
Inmiddels had de verzuiling verder plaatsgevonden.
Katholieken en protestanten kregen hun eigen verenigingen, eigen media en in 1933 ook hun eigen academie, De Katholieke Universiteit in Nijmegen. Voor de studie wijsbegeerte viel de keus op de karmeliet en latere verzetsstrijder Titus Brandsma (1881 - 1942) die katholieke journalistiek een erkenning vond van de geestelijke achtergrond, waarmee de mediamensen naar de wereld keken, want beelden van God waren verbonden met de actuele context.
Hij was pleitbezorger van het denken als hoogtepunt van het wijsgerig leven, In 1942 werd hij opgepakt door het naziregime, omdat hij weigerde de katholieke media te gebruiken voor nazipropaganda. Totdat hij werd afgevoerd naar Dachau, waar hij werd vermoord, hield hij zijn medegevangenen de kracht van de moderne devoten voor. In 1922 werd hij als enige filosoof door paus Franciscus heilig verklaard.
Inmiddels had de verzuiling verder plaatsgevonden.
Katholieken en protestanten kregen hun eigen verenigingen, eigen media en in 1933 ook hun eigen academie, De Katholieke Universiteit in Nijmegen. Voor de studie wijsbegeerte viel de keus op de karmeliet en latere verzetsstrijder Titus Brandsma (1881 - 1942) die katholieke journalistiek een erkenning vond van de geestelijke achtergrond, waarmee de mediamensen naar de wereld keken, want beelden van God waren verbonden met de actuele context.
Hij was pleitbezorger van het denken als hoogtepunt van het wijsgerig leven, In 1942 werd hij opgepakt door het naziregime, omdat hij weigerde de katholieke media te gebruiken voor nazipropaganda. Totdat hij werd afgevoerd naar Dachau, waar hij werd vermoord, hield hij zijn medegevangenen de kracht van de moderne devoten voor. In 1922 werd hij als enige filosoof door paus Franciscus heilig verklaard.
Opvoeding in democratie.
De grondlegger van de pedagogiek was Philip Kohnstamm (1875 - 1951), die meende dat vrijzinnig liberalisme ingebed moest zijn in het christelijk denken. Wat Herman Dooyeweerd deed voor het gereformeerde denken, deed Kohnstamm voor het christelijk humanisme. Voor hem was de samenleving meer dan een optelsom van individuen en een gemeenschap met gedeelde waarden. Hij noemde zijn filosofie personalisme, de ontwikkeling van mensen tot personen. Zijn vertrouwen in de democratie verwoordde hij aan het eind van zijn ‘De Grondslagen van de Democratie’: We hebben te doen wat plicht is en te vertrouwen dat wij dan ten goede zullen worden geleid. Voor hem was soevereiniteit in eigen kring de basis voor de leer van de staat en stond daarmee tegenover Colijn, die daadkrachtig leiderschap voorstond. Met de formule: Dictatuur : Democratie = Dressuur : Opvoeding probeerde Kohnstamm het verschil aan te geven tussen autoriteit en democratisch bestuur.
Het wijsgerige leven in Nederland raakte verdeeld en splitste zich op in verschillende verenigingen. Een daarvan was de Societas Spinozana (1920) waar Johan Herman Carp (1893 - 1979) de voorzitter was. Opmerkelijk voor een spinozist was dat hij tegelijk ook NSB’er was en de adviseur van Anton Mussert. Hij zag de Ethica als een rechtvaardiging voor de onderwerping van de belangen van het individu aan de gemeenschap en kreeg na de oorlog twaalf jaar celstraf.
Het wijsgerige leven in Nederland raakte verdeeld en splitste zich op in verschillende verenigingen. Een daarvan was de Societas Spinozana (1920) waar Johan Herman Carp (1893 - 1979) de voorzitter was. Opmerkelijk voor een spinozist was dat hij tegelijk ook NSB’er was en de adviseur van Anton Mussert. Hij zag de Ethica als een rechtvaardiging voor de onderwerping van de belangen van het individu aan de gemeenschap en kreeg na de oorlog twaalf jaar celstraf.
De schaduw van de politiek
De opkomst van de radio bood ongekende mogelijkheden voor openbare colleges, waar Leo Polak (1880 - 1941) dankbaar gebruik van maakte. Hij was een leerling van Gerard Heijmans en zocht een vorm van humanisme, die de politieke en religieuze polarisatie kon overbruggen en vond dat in Spinoza’s filosofie die uitging van de redelijke en gelijkwaardige mens. In het jaar dat Hitler in Duitsland aan de macht kwam en in Nederland het nationaalsocialisme aan populariteit begon te winnen, hield hij daar een radiocollege over. Na de Duitse bezetting werd hij, in een poging om het bestaan van het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte (ANTW) te redden, vanwege zijn joodse afkomst uit de redactie gezet. In 1941 werd hij afgevoerd naar Sachsenhausen waar hij werd vermoord.
‘We leven in een bezeten tijd’, zei Johan Huizinga (1872 -1945). Hij was de grondlegger van de cultuurgeschiedenis, beschreef de ontwikkeling van de massamedia en de boulevardpers en werkte deze cultuurkritiek uit in zijn Homo Ludens (1938) wat spelend wezen betekent. Hierin besprak hij hoe de door de tijd heen de verschillende aspecten van het leven bepaald werden door het spel tussen de mensen, de taal die we gebruikten en de regels waaraan we ons hielden. Het Amerikaans kapitalisme, het Russische communisme en het Duitse nationaalsocialisme waren voor hem vormen van massa-samenleving, waarin voor eigen denken en oordelen geen plaats was.
Tenslotte
De Tweede Wereldoorlog heeft diepe sporen nagelaten in wijsgerig Nederland, wat verwoord werd in het existentialisme, een filosofie die de vervreemding van de mens liet zien tegenover de anderen en de wereld. Het ging samen met het marxisme wat te zien is in het werk van Jean Paul Sartre en de politiek in de jaren zeventig bij partijen als de CPN, PSP en PvdA. De taalfilosofie van Wittgenstein verzette zich hiertegen. De academische filosofie kwam op de universiteiten tot bloei en de filosofie uit anderen landen werd daarbij overgenomen, maar moest gaandeweg toch weer het veld ruimen. In de jaren tachtig hadden alleen de universiteiten van Groningen en Rotterdam nog een zelfstandige faculteit filosofie. Met de oprichting in de jaren negentig van het blad filosofie Magazine, de filosofische cafés, verschillende cursussen, de maand van de filosofie en de Denker des Vaderlands kwam filosofie weer opnieuw tot bloei.
Veel filosofen hebben maar weinig kennis van de geschiedenis van de wijsbegeerte in ons land. Van Raak vond het dan ook hoog tijd worden om hier wat aan te doen.
Vandaar dit boek.
Ik denk dan ook dat het een noodzakelijke toevoeging is aan het studiemateriaal van de universitaire en andere filosofiestudies.
Vandaar dit boek.
Ik denk dan ook dat het een noodzakelijke toevoeging is aan het studiemateriaal van de universitaire en andere filosofiestudies.
Resume
Het is een makkelijk leesbaar boek met een uitgebreide geschiedschrijving, die op een plezierige en inspirerende manier wordt verteld. Als historicus van de wijsbegeerte probeert Van Raak de geschiedenis van de filosofie begrijpelijk te maken en recht te doen aan de bijzonderheid en eigenheid van ieder denker.
De titel: ‘Geen land van grote woorden’, zou eerder ‘Een land van grote filosofen’ moeten zijn. Ik heb er heel veel van geleerd, want van een aantal hier besproken grote namen had ik of alleen vluchtig met geschiedenis op school gehoord of kwamen mij zelfs onbekend voor.
Ik heb van elke filosoof slechts een zeer korte beschrijving van zijn ideeën gegeven, maar Van Raak geeft van elk van hen een uitgebreide biografie en uitleg van hun denken. Alleen bij Spinoza ben ik iets uitgebreider te werk gegaan.
Van veel van het werk van de hier besproken filosofen vindt u recensies en boekbesprekingen terug op deze website.
Wat in dit boek voor mij een eyeopener is geweest, is hoe Spinoza vanaf de 17e eeuw tot op heden door de politiek verweven zit. Ik ben uit 1951 en ken daardoor de verzuilingen, maar heb nooit geweten dat bijvoorbeeld in de politiek van Thorbecke Spinoza een rol heeft gespeeld. Op de HBS in mijn geboortestad Utrecht kregen we bij geschiedenis veel over de politiek uit de jaren vijftig en zestig te horen, maar werd Spinoza angstvallig verzwegen. En dat terwijl we daar een Spinozaweg en een Spinozaplantsoen hadden.
Pas tijdens mijn studie filosofie leerde ik onze grote filosoof kennen en heb ik dat hopelijk goed gemaakt met de oprichting van mijn Spinozakring Soest.
De titel: ‘Geen land van grote woorden’, zou eerder ‘Een land van grote filosofen’ moeten zijn. Ik heb er heel veel van geleerd, want van een aantal hier besproken grote namen had ik of alleen vluchtig met geschiedenis op school gehoord of kwamen mij zelfs onbekend voor.
Ik heb van elke filosoof slechts een zeer korte beschrijving van zijn ideeën gegeven, maar Van Raak geeft van elk van hen een uitgebreide biografie en uitleg van hun denken. Alleen bij Spinoza ben ik iets uitgebreider te werk gegaan.
Van veel van het werk van de hier besproken filosofen vindt u recensies en boekbesprekingen terug op deze website.
Wat in dit boek voor mij een eyeopener is geweest, is hoe Spinoza vanaf de 17e eeuw tot op heden door de politiek verweven zit. Ik ben uit 1951 en ken daardoor de verzuilingen, maar heb nooit geweten dat bijvoorbeeld in de politiek van Thorbecke Spinoza een rol heeft gespeeld. Op de HBS in mijn geboortestad Utrecht kregen we bij geschiedenis veel over de politiek uit de jaren vijftig en zestig te horen, maar werd Spinoza angstvallig verzwegen. En dat terwijl we daar een Spinozaweg en een Spinozaplantsoen hadden.
Pas tijdens mijn studie filosofie leerde ik onze grote filosoof kennen en heb ik dat hopelijk goed gemaakt met de oprichting van mijn Spinozakring Soest.
Mei 2026
© Gonny Pasman – Sakkers
Spinozakring Soest
© Gonny Pasman – Sakkers
Spinozakring Soest
downloadbare pdf van deze boekbespreking